Rb. Haarlem 9 augustus 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AY6201

Erfrecht. Artt. 4:6, 4:7 4:63 4:78, 4:79, 4:80, 4:90 BW. Incidentele vorderingen op grond van artikel 223 Rv. De eerste vordering van eisers (legitmarissen) wordt afgewezen omdat de rechtshandelingen die gedaagden na het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater hebben verricht of nog zullen verrichten, waarvoor het verbod wordt gevorderd, geen invloed hebben op de waarde van de nalatenschap en daarmee evenmin op de waarde van de legitimaire massa. De tweede vordering wordt afgewezen omdat voor de beoordeling daarvan vereist is dat vast staat dat sprake is van begiftiging van gedaagden, welke vraag echter in de hoofdzaak beantwoord dient te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen