Rb. Haarlem 13 december 2005, ECLI:NL:RBHAA:2005:AY6184
Bij uitspraak van de rechtbank van [plaats], Turkije d.d. [datum] is de echtscheiding naar Turks recht uitgesproken. De afdeling burgerzaken van de gemeente Haarlem heeft bij haar besluit d.d. [datum] aan de vrouw medegedeeld dat de gemeente het voornemen heeft om de Turkse echtscheiding niet in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens op te nemen. De gemeente heeft deze beslissing uitvoerig gemotiveerd. Zij stelt dat artikel 2 lid 1 van de Wet Conflictenrecht Echtscheidingen (WCE) voor erkenning van een buitenlandse echtscheiding eist dat in de buitenlandse echtscheidingsprocedure van een behoorlijke rechtspleging sprake moet zijn geweest. Maatstaf hierbij is het Nederlandse procesrecht. De buitenlandse procedure moet voldoen aan wat wij in Nederland als beginselen van behoorlijke rechtspleging beschouwen, zoals een tijdige en doelmatige oproeping, eerbiediging van het recht op hoor en wederhoor en een behoorlijk onderzoek naar de standpunten van beide partijen. Mocht een buitenlandse echtscheiding niet aan de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden voldoen, dan is erkenning ingevolge artikel 2 lid 2 WCE alsnog mogelijk indien duidelijk blijkt dat de wederpartij in de buitenlandse procedure zich uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft neergelegd bij de ontbinding van het huwelijk. De gemeente stelt dat, nu de man niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, gecontroleerd dient te worden of de man wel zó tijdig en op zodanige wijze is opgeroepen, dat hij in staat was verweer te voeren. De gemeente is, aangezien de vrouw dat liever niet wilde, vervolgens zelf in contact getreden met de man. Deze heeft aangegeven niet in te stemmen met de Turkse echtscheiding en heeft hieromtrent volgens de gemeente een schriftelijke verklaring opgesteld. De gemeente concludeert dat er derhalve geen instemmingsverklaring is waardoor de erkenning van de echtscheiding alsnog tot stand kan worden gebracht. De vrouw kreeg een termijn aangezegd waarbinnen zij haar zienswijze kenbaar kon maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl