Rb. Haarlem 21 juli 2005, ECLI:NL:RBHAA:2005:AU0330
Ten aanzien van de grief van verzoekster inhoudende dat met de vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, WRO juncto artikel 20, eerste lid, onder a, BRO niet het strijdige gebruik van de gronden opgeheven wordt, overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 20, eerste lid, onder a, BRO is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid WRO in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2003, AB 2003, 322 waarin is overwogen dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de regeling van woonhuizen buiten de bebouwde kom, in deze regeling, afgezien van het aantal woningen, geen resticties zijn gesteld. Dat is beoogd de toepassing van deze vrijstelling meer te beperken blijkt evenmin uit de nota van toelichting, waarin met betrekking tot deze woningen slechts is vermeld dat de vrijstelling er niet toe mag leiden dat het aantal zelfstandige woningen in de gemeente toeneemt.
De uitspraak op rechtspraak.nl