Rb. Haarlem 7 november 2000, ECLI:NL:RBHAA:2000:AA8956

Geen mogelijkheid tot afwijking van de in art. 14 Provinciewet voorgeschreven tekst bij eedsaflegging. Verweerder heeft op goede gronden geweigerd eiser toe te laten tot het afleggen van een van de tekst van art. 14 Provinciewet afwijkend geformuleerde eed. Eiser wil op grond van zijn persoonlijke geloofsovertuiging in plaats van de voorgeschreven formule "zo waarlijk helpe mij God almachtig" uitspreken "zo waarlijk helpe mij God". De rechtbank erkent dat de Eedswet een afwijking toelaat, doch de Eedswet is i.c. niet van toepassing. Deze wet is, blijkens de MvT, niet van toepassing op beëdigingen als de onderhavige, waarbij een ambtseed wordt gevorderd, doch is gericht op de getuige (-deskundige)-eed in het procesrecht. Voorts ontleent de rechtbank een argument aan de chronologie. De eedsformule voor statenleden was tot 1956 vastgelegd in de Grondwet. De Eedswet van 1911 had toen mitsdien geen betekenis voor statenleden. Toen de eedsformule in de Provinciewet werd opgenomen, nadat deze voor statenleden in 1956 uit de Grondwet was verdwenen, is de mogelijkheid van afwijking, die de Eedswet biedt, niet overgenomen en evenmin heeft verwijzing naar deze mogelijkheid van de Eedswet plaatsgevonden. Er is geen aanleiding een afwijking naar analogie van de Eedswet toelaatbaar te achten, aangezien de Provinciewet hiertoe geen aanknopingspunten biedt. De Voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland, verweerder. mr. Th. Seylhouwer

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen