Rb. Groningen 7 december 2012, ECLI:NL:RBGRO:2012:BY8896

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een e-mailbericht van de coördinator Docentprofessionalisering UOCG waarbij hij heeft bericht dat eiseres niet in aanmerking komt voor een zogenoemd BKO-certificaat, ongegrond verklaard. (…) De BKO is een professionaliseringsprogramma voor docenten. Voorwaarde voor deelname aan het BKO programma voor docenten is het hebben van een aanstelling als docent. (…) De rechtbank stelt vast dat er geen publiekrechtelijke grondslag voor het uitreiken van een BKO certificaat is. Noch de WHW noch een andere wet biedt de grondslag voor het al dan niet uitreiken van een BKO certificaat. De rechtbank stelt voorts vast dat als de uitreiking van een dergelijk certificaat geen besluit is in de zin van de Awb, het niet uitreiken van het certificaat niet met een besluit gelijkgesteld kan worden. Ook voor artikel 6:2 van de Awb geldt immers dat sprake moet zijn van (het niet nemen van) een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Door de gemachtigde van eiseres is een beroep gedaan op artikel 7.63a van de WHW. Daarbij is geopperd dat op grond van deze bepaling wellicht toch sprake is van een primair besluit dat kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Het bezwaar van eiseres daartegen zou dan ontvankelijk zijn. De rechtbank volgt deze redenering niet. Titel 4 van de WHW regelt de rechtsbescherming van studenten en extranei. In deze titel wordt onderscheid gemaakt tussen het indienen van klachten, waarop het bepaalde in artikel 9.1 van de Awb van toepassing is (paragraaf 1), en het indienen van een beroep of een bezwaar (paragraaf 2). Paragraaf 2 bevat vervolgens bepalingen betreffende het College van beroep voor de examens (artikel 7.60) en de bevoegdheid van dit College (artikel 7.61), en de bevoegdheid en samenstelling van de geschillenadviescommissie (artikel 7.63a). De rechtbank leest in deze bepaling niet dat de geschillenadviescommissie adviseert in het kader van op grond van de Awb appellabele besluiten. De omstandigheid dat het onderhavige geschil tussen partijen aan de geschillenadviescommissie is voorgelegd maakt dan ook niet dat om die reden sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Door het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag is en blijft de onderhavige weigering een weigering waartegen niet op grond van de Awb kan worden opgekomen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen