Rb. Groningen 22 oktober 2012, ECLI:NL:RBGRO:2012:BY2292
Economische strafzaak. Medeplegen van een ovetreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Deels nietigverklaring van de dagvaarding als gevolg van onvoldoende omschrijving in de ten lastelegging van de gestelde overtreding van de zorgplicht ten aanzien van het milieu. EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van 14 juni 2006, nummer 1013/2006 (EVOA). Met de inwerkingtreding van deze verordening heeft de wetgever expliciet de stilzwijgende toestemming van de bevoegde autoriteiten van het land van verzending en het land van bestemming laten vervallen. Het ontbreken van een reactie binnen de 30 dagen termijn moet worden opgevat als een weigering toestemming te verlenen voor de betreffende overbrenging. De EVOA heeft tot doel een samenhangend stelsel van maatregelen met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen in de Europese Gemeenschap tot stand te brengen en de nationale wetgeving te harmoniseren. Op grond van artikel 10, lid 1, van de EVOA staat het landen echter nog wel vrij om voorwaarden te stellen aan de overbrenging van afvalstoffen. Deze aanvullende voorwaarden mogen echter niet strenger zijn dan de voorwaarden en procedures van de EVOA. Niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens ontbreken causaal verband. De benadeelde partij heeft geen schade ondervonden als gevolg van verdachtes schending van het door artikel 10.60 van de Wet mlieubeheer beschermde milieubelang. Zie ook de publicaties van de medeverdachten onder: BY2293, BY2294 en BY2295
De uitspraak op rechtspraak.nl