Rb. Groningen 26 mei 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ9123

Overname loondoorbetalingsverplichting ingevolge artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. De door de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren gebrachte stelling dat, gelet op de hoorzitting in de bezwaarfase, de erkenning van de vordering door de curator, anders dan het door werkgever erkende gedeelte van de vordering, buiten beschouwing dient te blijven op grond van artikel 7:11 van de Awb wordt door de rechtbank niet gevolgd. Artikel 7:11 van de Awb noopt tot het naar hun strekking ruim opvatten van naar voren gebrachte bezwaren, zo stelt de rechtbank voorop. Voorts acht de rechtbank van belang dat het in het onderhavige geval niet voor de hand ligt dat de curator met de erkenning van de vordering slechts de bedoeling had de vordering van € 1.187,66 te erkennen, aangezien deze vordering reeds door de (ex)-werkgever van eiser was erkend naar aanleiding van een eerdere procedure bij de kantonrechter. Daarbij wordt nog gewezen op het namens eiser gedane van 2 maart 2010 en de daarbij meegezonden bijlagen. Verweerder heeft de vordering echter beperkt opgevat en onvoldoende onderzocht wat de omvang is van de door de curator erkende vordering. Door dit na te laten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen en berust het op een ondeugdelijke motivering, hetgeen strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen