Rb. Groningen 14 juli 2010, ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2935

Opvang van uitgeprocedeerde asielzoekster en haar minderjarige zoontje in het kader van de WMO. De voorzieningenrechter overweegt dat anders dan in de casusposities welke zich voordeden in de namens verzoekster aangehaalde Europees rechtelijke jurisprudentie, in het onderhavige geval wel sprake is van (een tijdelijke) opvang van verzoekster en haar zoon. Niet is gebleken dat de tijdelijke opvang van verzoekster en haar zoon door de [betrokkene], mede gelet op de gestelde medische- en psychische problemen van zoon Dani, op afzienbare termijn beëindigd zal worden. De stukken ter onderbouwing van de gestelde medische situatie van zoon Dani, waaruit blijkt dat er in het onderhavige geval sprake is van een onhoudbare situatie als gevolg van deze tijdelijke opvang, zijn voor zover deze al aanwezig zijn niet aan de voorzieningenrechter verstrekt. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken van een spoedeisend belang, dat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noopt. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen. Het voorgaande kan mogelijk anders komen te liggen, indien genoegzaam komt vast te staan dat de tijdelijke opvang van verzoekster en haar zoon door de [betrokkene], mede gelet op de gestelde medische- en psychische problemen van verzoeksters zoon, niet zal kunnen worden gecontinueerd. Onder die omstandigheden staat het de gemachtigde van verzoekster uiteraard vrij om een hernieuwd verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen