Rb. Groningen 6 april 2010, ECLI:NL:RBGRO:2010:BM3955

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over hun beide minderjarige kinderen. In geschil is het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen, het verlenen van vervangende toestemming voor de wijziging van school, de informatieplicht van verweerster jegens verzoekster en het verlenen van vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort dan wel identiteitskaart. Ten aanzien van het gezag ziet de rechtbank in het gebrek aan communicatie tussen partijen onvoldoende aanleiding verweerster te belasten met het eenhoofdige ouderlijk gezag over de kinderen. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag in stand laten. De rechtbank wijst het verzoek tot het vaststellen van een regeling tot co-ouderschap af. Hoewel het hoofdverblijf van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank bij zowel verzoekster als verweerster bepaald zou kunnen worden, bepaalt de rechtbank dat het hoofdverblijf van de kinderen zal zijn bij verweerster. Reden hiervoor is dat verweerster in tijd meer beschikbaar is voor de kinderen, nu zij 24 uren per week werkt en verzoekster 38 uren per week. Ook ten tijde van de relatie werkte verweerster minder dan verzoekster en had zij een groter aandeel in de praktische verzorging van de kinderen. In aansluiting hierop zal de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen vaststellen bij verweerster. De rechtbank stelt een uitgebreide omgangsregeling vast tussen de kinderen en verzoekster. De rechtbank verleent geen vervangende toestemming voor de wijziging van de school, nu de noodzaak van een schoolwijziging van de kinderen niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank legt verweerster een informatieplicht op. Verder verleent de rechtbank verzoekster vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart voor de kinderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen