Rb. Groningen 23 december 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7217
Met betrekking tot het betoog van eiseres dat artikel 11, vierde lid, van de CSV in het onderhavige geval buiten toepassing gelaten dient te worden in verband met strijdigheid met het Europees sociaal zekerheidsrecht, overweegt de rechtbank als volgt. Voorop gesteld dient te worden dat er sprake is van een tardieve grond, nu de gemachtigde van eiseres eerst ter zitting aangegeven heeft dat de voornoemde bepaling zich niet verhoudt met het Europees sociaal zekerheidsrecht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de gemachtigde van eiseres onvoldoende onderbouwd heeft dat het Europees sociaal zekerheidsrecht in de weg zou staan aan toepassing van artikel 11, vierde lid, van de CSV, te meer aangezien uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, onder meer kenbaar uit LJN: BJ7866 (3 september 2009), blijkt dat de rechtbank in beginsel de nationaal geldende procedureregels mag hanteren. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres ter ondersteuning van haar herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB, onder meer kenbaar uit RSV 2005/256, is de rechtbank van oordeel dat totstandkoming of verandering van rechtspraak – in dit geval het door eiseres vermelde arrest van 17 april 2009 van de HR – niet kan worden aangemerkt als een zodanig nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl