Rb. Groningen 8 juli 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7143
In het midden latend of de bepalingen van het IVRK van toepassing zijn op verzoekster – rechtssubject van bijstand in het onderhavige geval – is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet gebleken is van zodanig dringende redenen dat van het territorialiteitsbeginsel dient te worden afgeweken. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat de kinderen van 14, 13 en 8 jaar zich in de Verenigde Staten in een onwenselijke situatie bevinden. Voorts is ter zitting naar voren gebracht dat twee kinderen in verband met zichtproblemen (bril nodig) onderzocht dienen te worden door een oogarts en dat bij één van de kinderen in verband met gebitsproblemen waarschijnlijk een kies moet worden getrokken. Hoewel de voorzieningenrechter het voorstelbaar acht dat de onderhavige situatie voor verzoekster en de opgroeiende kinderen niet wenselijk is, volgt uit het vorenstaande niet dat er sprake is van een zodanige (medische) noodsituatie dat op grond daarvan verweerder ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB gehouden zou zijn om bijzondere bijstand aan verzoekster te verstrekken. Voorts kan niet voorbij gegaan worden aan het feit dat verzoekster er om haar moverende redenen voor heeft gekozen om alleen met haar jongste kind uit de Verenigde Staten naar Nederland terug te keren in verband met het respecteren van een huurovereenkomst van een huurwoning in Groningen.
De uitspraak op rechtspraak.nl