Rb. Groningen 8 juni 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7121

Gelet op een uitspraak van 10 maart 2005 van de CRvB, gepubliceerd onder LJN AT0115, heeft met betrekking tot de vraag of het eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij ten onrechte bezoldiging ontving als uitgangspunt te gelden dat in het algemeen van een ambtenaar een aanzienlijke mate van oplettendheid mag worden verwacht. Dit uitgangspunt strekt naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval echter niet zo ver dat het eiser eerder dan het besluit van 26 april 2005 redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn aanstelling niet zou worden voortgezet. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorzieningen betrekking hadden op een schorsing van de bestreden besluiten, waaraan verweerder vervolgens de conclusie verbonden heeft dat de bezoldiging aan eiser diende te worden hervat. Niet is komen vast te staan dat verweerder daarbij heeft aangegeven dat het betalingen op voorschotbasis betrof. Voorts acht de rechtbank van belang dat het eiser eerst bij besluit van 26 april 2005 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat verweerder voor de weg van een ontslag op andere gronden had gekozen. Dit brengt naar het oordeel met zich dat het voor eiser eerst vanaf dat moment redelijkerwijs duidelijk behoorde te zijn dat er sprake was van een onverschuldigde betaling van bezoldiging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen