Rb. Groningen 25 maart 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BI6947

De moeder van een inmiddels meerderjarige jongen stelt een vordering in tegen de school die haar zoon tussen zijn veertiende en zeventiende jaar bezocht. Toen de jongen 16 jaar oud was, vond hij onderdak in een ander gezin, waarna de school de moeder nog slechts summier informeerde. Toen de jongen 17 jaar oud was, werd hij zonder toestemming van de moeder ingeschreven op een andere school. Eerder oordeelde een klachtencommissie de klachten van de moeder grotendeels gegrond. De rechtbank oordeelt dat ondanks de vorderende leeftijd van de zoon, de school gehouden bleef om de moeder te informeren over haar zoon en haar te betrekken bij te maken keuzes. Door de school zijn onvoldoende zwaarwegende argumenten aangevoerd om de informatieverstrekking aan de moeder achterwege te laten. De enkele wens van de zoon is daarvoor onvoldoende geweest, omdat met respectering van diens privacy, de rol van de moeder als verantwoordelijk ouder wel degelijk had kunnen zijn gehonoreerd. De rechtbank verwijst in verband met het voorgaande naar art. 1:247 lid 1 BW en art. 18 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK). De rechtbank oordeelt dat de school met alle goede bedoelingen te ver is gegaan wat betreft het passeren van de moeder. De rechtbank wijdt nadere beschouwingen aan art. 23b van de Wet op het voortgezet onderwijs en art. 14 Inrichtingsbesluit WVO. De rechtbank verklaart voor recht dat de school toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met de moeder gesloten onderwijsovereenkomst. De vordering tot vergoeding van immateriele schade van de moeder wordt afgewezen. Ook vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaande uit kosten die de moeder heeft gemaakt in relatie tot de klachtenprocedure, acht de rechtbank niet toewijsbaar; De jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537) dat kosten die gemaakt zijn in relatie tot een tuchtrechtelijke procedure niet kunnen worden aangemerkt als kosten als bedoeld in art. 6:96 BW (kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid), acht de rechtbank van overeenkomstige toepassing op een klachtenprocedure als de onderhavige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen