Rb. Groningen 31 januari 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BB2792

Aansprakelijkstelling feitelijk bestuurder op grond van onbehoorlijke taakvervulling. Binnen de onderneming werd gedaagde gezien als feitelijk leider, hetgeen blijkt het vaststaande feit onder g. Bovendien heeft gedaagde zich naar buiten toe gemanifesteerd als feitelijk bestuurder. Dit blijkt onder meer uit de vaststaande feiten onder e, l, m en n. De leidende vraag is echter niet hoe gedaagde zich naar buiten toe manifesteerde of op welke wijze hij zijn functie zelf kwalificeerde, maar bepalend is daarentegen wel of gedaagde, naast de handelingen van een kantoordirecteur, ook handelingen verrichtte die normaliter aan bestuurders worden toegekend en of deze handelingen ook met ter zijde stelling van dat bestuur werden verricht. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank uit hetgeen is vermeld onder f en h van de vaststaande feiten niet -zoals door eiseres eveneens gesteld- ondubbelzinnig volgen dat gedaagde heeft gehandeld als ware hij een bestuurder. Het gaat hier immers om handelingen die in het algemeen vallen binnen de bevoegdheden die aan een kantoordirecteur plegen te worden toegekend en niet bij uitsluiting aan een bestuurder toekomen. Hoewel gedaagde daarentegen ook taken heeft verricht die bestuurders normaliter plegen te verrichten, zoals weergegeven bij de vaststaande feiten onder j, is niet vast komen te staan dat deze bevoegdheden in het onderhavige geval niet binnen de functie van kantoordirecteur vielen. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat gedaagde hiermee bestuurshandelingen heeft verricht, overweegt de rechtbank dat nu Haarsma q.q. geen omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat gedaagde ten aanzien van deze handelingen ook het laatste woord had en aan de bestuurster zijn beslissingen kon opleggen, niet gebleken is dat gedaagde medebeleidsbepaler was.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen