Rb. Groningen 11 juli 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BA9520
Recht op omgang tussen zussen? Family life. Artikel 8 EVRM. Een 63-jarige vrouw verlangt omgang met haar 61-jarige zuster, die ernstig dement is (frontotemporale dementie) en door haar echtgenoot wordt verzorgd. De echtgenoot van de patiente acht de omgang niet in haar belang; hij is van oordeel dat de zus onvermogend is zich te gedragen volgens de richtlijnen die in het belang van de patiente voor bezoeken zijn gesteld. De rechtbank acht family life in de zin van art. 8 Evrm aanwezig tussen beide zusters. Eiseres kan in deze horizontale verhouding de bescherming van deze verdragsbepaling inroepen, zoals hier door het instellen van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering. De rechtbank legt aan een deskundige (klinisch geriater) de vraag voor of omgang tussen beide zusters is contra-geindiceerd door het belang van de patiente. De deskundige rapporteert dat de geheugenfunctie van de patiente zodanig is verdwenen dat zij geen betekenis kan verlenen aan dierbare personen uit het verleden. Omgang zal, aldus het advies, door onrust in onwelbevinden resulteren; ook in verband met een toename van de 'burden of care' bij de echtgenoot concludeert de deskundige dat de gewenste contacten beter niet kunnen plaatsvinden. De rechtbank neemt aan dat de patiente zelf weinig tot niets zal ontlenen aan contacten. De rechtbank oordeelt voorts evenwel dat beperkt bezoek door eiseres niet een dermate groot nadeel voor de patiente met zich meebrengt dat er grond zou zijn het recht op omgang te ontzeggen. De echtgenoot wordt veroordeeld omgang tussen beide zusters toe te staan.
De uitspraak op rechtspraak.nl