Rb. Groningen 17 november 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5886
Gedaagde EOC heeft offertes neergelegd bij klanten van eiseres CBR, onder meer in Nederland en Duitsland. Deze activiteit is concurrerend jegens CBR en in strijd met art. 8 van een in 1998 gesloten participatieovereenkomst. De vraag is of EOC nog aan deze overeenkomst is gebonden, nu zij stelt dat eiseressen haar niet toelaten tot het bestuur van CBR en art. 26 Mededingingswet c.q. art. 3 EG-concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap als voorwaarde stellen voor de geldigheid van een non-concurrentiebepaling als waarvan hier sprake is. Aan de hand van de wetsgeschiedenis gaat de voorzieningenrechter na wat art. 26 in dit verband betekent. Zij komt tot de slotsom dat onvoldoende aannemelijk is dat er niet langer sprake is van een gezamenlijke onderneming.
De uitspraak op rechtspraak.nl