Rb. Groningen 20 december 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5794
Heeft de staat onrechtmatig gehandeld door een minderjarige in het kader van een ots en uithuisplaatsing voor de duur van 7,5 maanden in een opvangkliniek in gesloten setting te plaatsen alvorens hem te plaatsen in een behandelkliniek? Hoewel plaatsing van de minderjarige in gesloten setting geïndiceerd was, de plaatsing wettig was, de minderjarige baat heeft gehad bij de structuur die de opvangkliniek hem bood en de minderjarige daar vanaf een bepaald moment gedragstherapie heeft genoten, is de rechtbank van oordeel dat voormelde wachttermijn van zeveneneenhalve maand, gedurende welke termijn aan de minderjarige de voor hem reeds vanaf de aanvang bekende en geëigende behandeling is onthouden, in de gegeven omstandigheden onrechtmatig lang is. De rechtbank overweegt dat met de gesloten (crisis)plaatsing in de opvangkliniek aanvankelijk sprake is geweest van een noodzakelijke - ter bescherming van het belang van de minderjarige - en aldus gerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven van de minderjarige, maar dat die inbreuk in de gegeven omstandigheden later niet meer in de lijn lag met het doel van de maatregel en haar rechtvaardiging heeft verloren.
De uitspraak op rechtspraak.nl