Rb. Groningen 22 mei 2005, ECLI:NL:RBGRO:2005:AT2851

Verzoek tot vaststelling vaderschap van uit relatie van Nederlandse man en buitenlandse vrouw geboren en door de man erkende minderjarige, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit; beletsel ex 1:207 lid 2 sub a BW staat niet in de weg, omdat de man van wiens vaderschap de vaststelling verzocht wordt, dezelfde is als die het kind heeft erkend en het kind daardoor geen familierechtelijke band met meer dan twee ouders krijgt. Ingevolge art. 4 Rijkswet op het Nederlanderschap verkrijgt het kind door de erkenning na de geboorte niet het Nederlanderschap; de wetgever is er bij de de totstandkoming van deze wet vanuit gegaan, dat bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de aard van die procedure voldoende waarborgen gelegen zijn om oneigenlijk gebruik met het oog op verkrijging van het Nederlanderschap uit te sluiten. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap houdt in vergelijking met een erkenning een meerwaarde in; het is niet in het belang van het kind, dat hij een status als illegale vreemdeling heeft en dat het risico bestaat dat hij Nederland wordt uitgezet; het is in het belang van het kind dat er zekerheid omtrent zijn afstamming bestaat; DNA-onderzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen