Rb. Groningen 21 september 2004, ECLI:NL:RBGRO:2004:AU9609
Nederlandse moeder weigert mee te werken aan erkenning minderjarig kind door Amerikaanse biologische vader. Moeder heeft - in de wetenschap dat de biologische vader wil erkennen - toestemming verleend tot erkenning door een andere man en deze erkenning heeft ook plaatsgevonden. Verzoek van vader tot nietigverklaring van deze erkenning en tevens tot vervangende toestemming tot erkenning ex 1:204 lid 3 BW en tot omgang, informatie en raadpleging door moeder van hem omtrent het welzijn van het kind. De verzoeken van de biologische vader worden toegewezen. Moeder heeft haar bevoegdheid ex artikel 1:204 lid c BW misbruikt. Artikel 8 lid 1 EVRM staat eraan in de weg om de toestemming door de andere man als rechtsgeldig aan te merken. Deze erkenning is nietig, overigens ook omdat moeder aan de andere man slechts voorwaardelijke toestemming tot erkenning had mogen verlenen, nu de biologische vader reeds een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning had ingediend. Na vele aanhoudingen, tussenbeschikkingen en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt er - ondanks de weigerachtige houding van moeder - een omgangsregeling vastgesteld tussen de Amerikaanse juridische vader en het inmiddels door hem erkende kind. Moeder wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, dat zij in gebreke blijft mee te werken. Tevens wordt bepaald, dat moeder vader een maal per kwartaal informeert omtrent de ontwikkelingen van het kind en ook, dat zij hem een keer per half jaar een foto van het kind doet toekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl