Rb. Groningen 15 januari 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AD6635
In casu kan aanvraag AKW voor tweede kind niet als een te laat ingediende aanvraag worden gezien. Eiser heeft ten behoeve van zijn tweede kind, geboren in februari 1995, eerst op 4 mei 1999 een aanvraag AKW ingediend. Verweerster heeft kinderbijslag toegekend, doch de terugwerkende kracht op grond van art. 14.3 beperkt tot een jaar voor de aanvraag. De rechtbank verstaat het standpunt van verweerster zo dat uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 december 1991, Stb. 1991, 669 volgt dat er slechts één recht op kinderbijslag voor een kinderbijslaggerechtigde kan bestaan. Dit ontstaat door vaststelling van het recht bij de toekenning voor het eerste kind. Volgen er meer kinderen dan heeft dit geen invloed op het recht op kinderbijslag maar op de hoogte daarvan. De door eiser bestreden weigering van verweerster berust op toepassing van art. 14.3 AKW. Het standpunt van verweerder heeft tot gevolg dat de toepassing van art. 14.3 onbegrijpelijk is. Deze bepaling ziet immers niet op de hoogte van het kinderbijslagrecht, maar op het recht zelf. De aanvraag van 4 mei 1999 kan dus niet als een te laat ingediende aanvraag worden gezien. Besluit kan niet in stand worden gelaten. Bestreden weigering van kinderbijslag kan evenmin berusten op art. 17 AKW. Verweerster dient een nieuw besluit te nemen. De Sociale Verzekeringsbank, verweerster. mrs. A.H.J. Lennaerts, B.J.H. Hofstee, G. Laman
De uitspraak op rechtspraak.nl