Rb. Groningen 1 maart 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2260
Ten onrechte geen onderzoek verricht naar door eiseres wegens echtscheiding ter zake van de verhuizing en de inrichting van haar nieuwe woning gedane uitgaven. Terugvordering van Abw-uitkering ad fl. 36.507,30, aangezien eiseres de beschikking heeft gekregen over fl. 56.207,30 wegens verkoop van de voormalige echtelijke woning met zich daarin bevindende onroerende zaken. Rechtbank: Tot de op grond van art. 52.1, aanhef en onder a, Abw bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te laten bezittingen in natura behoort een naar aard en waarde algemeen gebruikelijke inboedel. I.c., waarbij na een echtscheiding een andere woning moet worden betrokken die moet worden voorzien van onder meer vloerbedekking en gordijnen en ten dele een nieuwe inboedel, acht de rechtbank het aanvaardbaar dat de betrokkene de woning tot een algemeen gebruikelijk niveau inricht. De daarmee gemoeide noodzakelijke kosten dienen bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te worden gelaten. Bij de beoordeling van de vraag wat gebruikelijk is en welke kosten noodzakelijk zijn dient enerzijds rekening te worden gehouden met het gegeven dat de betrokkene op bijstand is aangewezen, anderzijds moet acht worden geslagen op eventuele bijzondere omstandigheden waarin de persoon of het gezin verkeert. Uitgangspunt is daarom een sobere, maar doelmatige inrichting. Voorts moet bij de berekening van het vermogen in een geval als dit rekening worden gehouden met de verhuiskosten, zijnde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die de betrokkene heeft moeten maken. Weliswaar behoren verhuiskosten in de regel tot de noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het normbedrag voor algemene bijstand moeten worden voldaan. Echter in een situatie als deze, waarin door een echtscheiding een min of meer acute noodzaak tot verhuizing is ontstaan, is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand zouden hebben gerechtvaardigd als betrokkene niet over vermogen zou hebben beschikt. Verder tekent de rechtbank daarbij aan dat van de betrokkene mag worden verlangd dat deze op verzoek van burgemeester en wethouders de verhuis- en inrichtingskosten met nota's onderbouwt. Voor zover de verhuis- en inrichtingskosten zijn betaald uit een lening kan dit bedrag uiteraard slechts eenmaal in mindering worden gebracht op de beschikbare middelen. De rechtbank moet vaststellen dat verweerders bij de berekening van het vermogen van eiseres ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de door haar ter zake van de verhuizing en de inrichting van haar nieuwe woning gedane uitgaven. Nu niet is onderzocht welk bedrag aan verhuis- en inrichtingskosten als noodzakelijk kan worden beschouwd, valt thans ook niet vast te stellen met welk vermogen rekening moet worden gehouden bij de berekening van de hoogte van het van eiseres terug te vorderen bedrag aan bijstand. De stelling van verweerders dat zij geen rekening hoeven te houden met de inrichtingskosten, omdat eiseres bijstand voor deze kosten kan vragen in de gemeente waar zij zich heeft gevestigd, onderschrijft de rechtbank niet. Het uitgangspunt van verweerders zou juist zijn geweest wanneer het zou gaan om het aanvragen van bijstand in deze kosten. Het gaat hier echter om de vaststelling van het vermogen van eiseres op het moment dat zij daarover de beschikking krijgt. Anderzijds onderschrijft de rechtbank evenmin de opvatting van eiseres dat op het bedrag waarover zij de beschikking heeft gekregen een bedrag in mindering zou moeten worden gebracht in verband met de verkoop van enkele roerende zaken. Eiseres heeft de beschikking over dat geld gekregen en mag dat met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen besteden aan de aanschaf van een nieuwe inventaris. Voor een afzonderlijke vrijlating van dat bedrag is dan geen reden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat verweerders het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid, alsmede dat de motivering van het bestreden besluit tekort schiet. Beroep gegrond, besluit vernietigd. Burgemeester en wethouders van Eemsmond, verweerders. mr. B.J.H. Hofstee
De uitspraak op rechtspraak.nl