Rb. Groningen 9 april 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1019
Terugvordering ex 59a.2 ABW en 84.2 en 3 Abw. Intrekking Abw-uitkering van C aangezien hij vanaf 1-2-1991 bij eiseres in de gemeente D verbleef, waardoor C geen recht had op een uitkering van de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Eiseres wordt door verweerders hoofdelijk aansprakelijk geacht voor de aan C verstrekte bijstand. Van haar wordt fl. 102.890,78 teruggevorderd. De rechtbank stelt vast dat verweerders de terugvordering van eiseres hebben gebaseerd op art. 59a.2, ABW en art. 84, tweede en derde lid, Abw. Op grond van deze artikelen worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had moeten worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn genoemde artikelen in casu echter niet van toepassing. Hiertoe wordt overwogen dat indien C in de periode van 1 maart 1995 tot en met 25 januari 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiseres -wat hier ook van zij- hij niet woonachtig was in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, doch in de gemeente D. Hij zou dan ingevolge art. 14 ABW en art. 63.1 Abw over deze periode in het geheel geen recht op bijstand hebben gehad jegens verweerders. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de bijstand in dat geval als gezinsbijstand had moeten worden verleend, zoals de artt. 59a.2 ABW en 84, tweede en derde lid, Abw eisen. Besluit tot terugvordering ontbeert derhalve een wettelijke grondslag. Beroep gegrond. Burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, verweerders. mr. B.J.H. Hofstee
De uitspraak op rechtspraak.nl