Rb. Groningen 26 januari 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AA9921

Tekst art. 10 WOR laat ruimte voor afweging van de diverse, bij verlening van een vergunning betrokken, belangen. Weigering vergunning op grond van WOR voor 25 standplaatsen. Ingevolge het overgangsrecht ex art. 39 WOR zijn verweerders niet bevoegd om de verzochte vergunning te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. Art. 10 WOR stelt, als is voldaan aan de voorwaarden die dit artikel in samenhang met art. 39 stelt, geen beperkingen aan de bevoegdheid tot verlening van de kampeervergunning. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever dit zo gewild. Voorts leidt de rechtbank uit art. 10 en de wetsgeschiedenis af dat er zeker ruimte is voor een afweging tussen de diverse bij de verlening van een vergunning betrokken belangen. I.c. heeft verweerder in redelijkheid het belang van de eigenaar/exploitant van het nabijgelegen veehouderijbedrijf kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser. Daarbij is in aanmerking genomen dat het kampeerterrein waarvoor in 1988 op grond van de Kampeerwet vergunning is verleend, niet of nauwelijks als zodanig werd gebruikt. Dit feit is bij de bepaling van het gewicht van het belang van eiseres bij verlening van de vergunning, van groot belang, nu het overgangsrecht feitelijk bestaande situaties beoogt te respecteren (tot op zekere hoogte). Burgemeester en wethouders van Leek, verweerders. mr. G. Laman

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen