Rb. Groningen 19 januari 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AA9911

Geen sprake meer van een rechtvaardiging voor de inbreuk die art. 12 Dagloonregelen IWS (seizoenarbeidersartikel) maakt op het dervingsbeginsel. De - voormalige - SVR heeft de - voormalige - bedrijfsverenigingen voorgesteld over te gaan tot afschaffing van het seizoenarbeidersartikel (schrijven van 8 mei 1990). Daarbij bleek er bij een van de bedrijfsverenigingen behoefte te zijn aan raadpleging van de "achterban" over art. 12 Dagloonregelen IWS. Die bedrijfsvereniging kon instemmen met de afschaffing van hetzelfde artikel in de ZW en de WAO. Alle andere bedrijfsverenigingen stemden in met afschaffing voor alle wetten. Vervolgens is het tot afschaffing van het seizoenarbeidersartikel gekomen in de ZW en WAO. Dit besluit van de SVR is goedgekeurd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De voorgenomen afschaffing van het seizoenarbeidersartikel voor de WW (art. 12 Dagloonregelen IWS) is daarna niet meer op de agenda gekomen. De reden (en) daarvoor blijken niet uit de stukken, maar de rechtbank acht, op grond van een door een voormalig medewerkster van de SVR tegenover de gemachtigde van eiseres afgelegde verklaring, aannemelijk dat in dit geval van uitstel afstel is gekomen. Voorwaarden voor de rechtsgeldigheid van art. 12 Dagloonregelen IWS is dat dit binnen de grenzen moet blijven van art. 34.2 IWS, waarbij die grenzen - in een te bepalen mate - overschreden mogen worden als daarvoor een rechtvaardiging bestaat op grond van de bijzondere omstandigheden die voor een categorie werknemers gelden (vierde lid van art. 34 IWS). De rechtbank is van oordeel dat voormelde geschiedenis uitwijst dat er geen sprake meer is van een rechtvaardiging voor de inbreuk die art. 12 Dagloonregelen IWS maakt op het dervingsbeginsel. Door deze inbreuk te laten voortbestaan ten tijde van het nemen van de bestreden beslissingen, is verweerder als regelgever zijn regelgevende bevoegdheid te buiten gegaan. Voor de toepassing van het artikel op eisers heeft dit tot gevolg dat verweerder in diens hoedanigheid van bestuursorgaan t.o.v. werknemers als eisers aan het artikel al geen toepassing meer had behoren te doen geven door alle uvi's. Gevolg dat het bestreden besluit in strijd is met art. 34 tweede en vierde lid IWS. Volgt gegrondverklaring beroep. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. A.H.J. Lennaerts Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 34.2, 34.4 Dagloonregelen Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 12

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen