Rb. Groningen 24 oktober 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AA8471
Voor de toepassing van art. 2, onder a ten ten tweede IOAW blijft de datum van het "werkloos worden" gekoppeld aan het intreden van het arbeidsurenverlies in het kader van de oorspronkelijke werkloosheid. Geschil spitst zich toe op de vraag of de term "werkloos is geworden" in de zin van art. 2 onder a ten tweede IOAW alleen het primaire ontstaan van werkloosheid betreft, of tevens ziet op een opnieuw intreden van werkloosheid na afloop van een onderbreking daarvan, bijvoorbeeld tengevolge van het ontvangen van een AAW/WAO-uitkering. Van de beantwoording van deze vraag is afhankelijk op welke datum eiser "werkloos is geworden", bij het laatstelijk eindigen van zijn werkzaamheden (11 augustus 1980, eiser was toen 39 jaar oud), of na afloop van de AAW/WAO-uitkering, bij het starten van de WW-uitkering met een op art. 17 IWS gebaseerde uitkeringsduur (1 juli 1994, eiser was toen 53 jaar oud). Naar het oordeel van de rechtbank blijft voor de toepassing van art. 2, onder a ten tweede, IOAW de datum van het "werkloos worden" gekoppeld aan het intreden van het arbeidsurenverlies in het kader van de oorspronkelijke werkloosheid, en dus niet aan het opnieuw intreden van de werkloosheid tengevolge van het beëindigen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die tot een herleving van het WW-uitkeringsrecht heeft geleid. De rechtbank overweegt in dit kader dat de IOAW onder andere beoogt een, met name door het ontbreken van de vermogenstoets, gunstiger uitkeringsregime te bieden aan oudere langdurig werkeloze werknemers die op of na hun vijftigste jaar werkloos zijn geworden, en die na de maximale uitkeringsduur van de WW voorafgaand aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd aangewezen dreigen te geraken op een uitkering op basis van de Algemene bijstandswet. Het is naar het oordeel van de rechtbank uitgaande van deze doelstelling kennelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest een persoon wiens werkloosheidsuitkering onderbroken wordt door een uitsluitingsgrond, en die tijdens deze onderbreking gaat voldoen aan het 50-jaar criterium, in een gunstiger positie te brengen dan diegene wiens WW-uitkering onafgebroken is doorgelopen tot het bereiken van de maximale uitkeringsduur, en die tijdens deze uitkering eveneens 50 jaar wordt. Dat tengevolge van de stelselherziening sociale zekerheid, en het daarbij behorende overgangsrecht na afloop van de onderbreking per 1 juli 1994 niet de oude WW-uitkering is herleefd, maar aan eiser in plaats daarvan een uitkering op grond van de nieuwe WW, met een op basis van art. 17 IWS aangepaste uitkeringsduur is toegekend, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat ook in die situatie sprake is van een onderbreking van een reeds bestaande werkloosheid. Ook dan vindt immers de aanspraak op een WW-uitkering nog steeds zijn basis in de werkloosheid zoals die, in het geval van eiser, met ingang van 11 augustus 1980 is ingetreden. Ook daarom dient naar het oordeel van de rechtbank de datum waarop de oorspronkelijke werkloosheid is ingetreden als datum genomen te worden waarop eiser werkloos is geworden in de zin van art. 2 onder a ten tweede IOAW. Beroep ongegrond. Burgemeester en wethouders van Stadskanaal, verweerders. mr. D.J. Klijn
De uitspraak op rechtspraak.nl