Rb. Groningen 11 oktober 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7923
Artikel 97 staat eraan in de weg dat verweerder alsnog terzake van hetzelfde feit het OM heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Sedert de inwerkingtreding van de Wet boeten is het zogenaamde una via-beginsel vastgelegd. Dit beginsel heeft zijn weerslag gevonden in - onder meer - artikel 97 WAO. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een keuze gemaakt voor de administratiefrechtelijke weg die, nu de daarbij behorende handelingen zijn verricht, gelet op de geschiedenis van onder meer de totstandkoming van onder meer artikel 97 WAO, als definitief moet worden aangemerkt. Dat het primaire boetebesluit nog niet in rechte onaantastbaar was, doet hieraan niet af. Blijkens de tekst van artikel 97 WAO en de wetsgeschiedenis is het moment van oplegging van de boete immers bepalend. De omstandigheid dat verweerder achteraf tot de conclusie is gekomen dat de keuze in strijd was met de Richtlijn fraude sociale verzekeringen en de aanbeveling in het opsporingsrapport, leidt evenmin tot een ander oordeel. Beroep gegrond. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mw.mr. G.Laman
De uitspraak op rechtspraak.nl