Rb. Groningen 13 juli 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AA6729

TBS geen uitzondering als bedoeld in art. 1.1, aanhef en onder k WAO. Geen strijd met EVRM. Intrekking WAO-uitkering m.i.v. 1-6-2000, omdat verzoeker op 4-6-1998 gedetineerd is en de detentie langer dan 1 maand duurt. President: Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat de wetgever de vraag of een gedwongen opname op grond van art. 37a of 37b, eerste lid, WvS ook onder de in art. 1.1 aanhef en onder k, WAO genoemde uitzondering zou moeten vallen, onder ogen heeft gezien. In afwijking van het preadvies van de Raad van State is besloten om de ter beschikking stelling als bedoeld in voornoemde artt. 37a en 37b niet als uitzondering aan te merken. In de Memorie van Toelichting is deze keuze als volgt toegelicht: TBS wordt vaak in combinatie met een gevangenisstraf opgelegd. In alle gevallen waarbij TBS met bevel tot verpleging wordt opgelegd is er sprake van voorlopige hechtenis. Bij het uitzonderen van de regeling zou de situatie ontstaan dat het recht op een uitkering aan een gedetineerde tijdens het ondergaan van de gevangenisstraf/voorlopige hechtenis wordt ontzegd. Het recht zou kunnen herleven bij beëindiging van de gevangenisstraf/voorlopige hechtenis en tot uitbetaling komen tijdens de verpleging in een TBS-instelling om vervolgens op grond van de eigenbijdrageregeling AWBZ na een jaar weer afgeroomd te worden. Voorts is in de Nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken 26 063, nr. 5) terzake opgemerkt dat betrokkene bij TBS in een justitiële inrichting verblijft, zodat hij verzorgd wordt door de Staat. Het wordt onaanvaardbaar geacht dat deze persoon tegelijkertijd een uitkering zou genieten. Dat de TBS zich qua wijze van behandelen laat vergelijken met gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis doet daaraan, zo is gesteld, niet af. Hoewel, zoals verzoeker stelt, summier gemotiveerd leidt de President uit het vorenstaande af dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om TBS niet onder art. 1.1, aanhef en onder k, WAO te laten vallen. Reeds hierom ziet de president geen aanleiding om van het bepaalde in meergenoemd art. 1.1 aanhef en onder k, WAO af te wijken. Verzoeker is verder van mening dat sprake is van inbreuk op het recht om te mogen beschikken over zijn eigendom in de zin van art. 1 van het Eerste Protocol EVRM. Dit artikel luidt als volgt: Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. P.J.W.M. Vermeulen (president)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen