Rb. Groningen 15 mei 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AA6362
Jurisprudentie m.b.t. 59a.2 ABW (oud) is tevens van toepassing op art. 84.2 Abw. . Vanwege vermoeden van bijstandsfraude is onderzoek verricht waaruit is geconcludeerd dat eiser en X een gezamenlijke huishouding voeren. Terugvordering van onverschuldigd betaalde Abw-uitkering ad fl. 21.779,59 wegens niet nakomen van verplichting ex art. 65.1 Abw. Rb.: Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad m.b.t. art. 59a.2 ABW (oud) vloeit voort dat o.g.v. deze bepaling alleen ten onrechte betaalde bijstand kan worden teruggevorderd als de bijstand niet als gezinsbijstand is verleend. Is de bijstand wel als gezinsbijstand verleend dan is terugvordering niet mogelijk (zie HR, 3 maart 1995, NJ 1997, nr. 184 en HR 23 oktober 1998, JVB 1999, nr. 4). Aangezien art. 84.2 Abw op dit punt gelijkluidend is aan art. 59a.2 ABW heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad dezelfde betekenis bij de toepassing van art. 84.2 Abw. Ook de wetgever is deze opvatting toegedaan blijkens de toelichting op art. 3 onder J Veegwet SZW 1998, waarbij de tekst van art. 84.2 Abw juist n.a.v. de jurisprudentie van de HR is gewijzigd (zie Tweede Kamer 1998/1999, 26239, nr. 3 p. 10). Het staat vast dat aan X en haar zoon, met inachtneming van art. 4, aanhef en onder c, ten derde, Abw, gezinsbijstand is verstrekt als bedoeld in art. 13.2 Abw. Dat betekent dat in dit geval art. 84.2 Abw niet van toepassing is en de ten onrechte aan X verstrekte bijstand niet mede van eiser kan worden teruggevorderd. Beroep gegrond. burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, verweerders. mr. B.J.H. Hofstee
De uitspraak op rechtspraak.nl