Rb. Gelderland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7890
tussenvonnis
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/219684-25
Datum uitspraak : 7 oktober 2026
Tegenspraak
tussenvonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen heeft geslagen en/of gesneden op/tegen het hoofd en/of (overige) delen van het lichaam van die [aangever 1] met een laminaatsnijder, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen heeft geslagen en/of gesneden op/tegen het hoofd en/of (overige) delen van het lichaam van die [aangever 1] met een laminaatsnijder, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 2] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen heeft geslagen en/of gesneden op/tegen het hoofd en/of (overige) delen van het lichaam van die [aangever 2] met een laminaatsnijder, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - een of meerdere malen heeft geslagen en/of gesneden op/tegen het hoofd en/of (overige) delen van het lichaam van die [aangever 2] met een laminaatsnijder, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen en/of Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- de woning/het chalet aan het [adres] (chalet [nummer] ) te betreden/binnen te dringen (terwijl de bewoners, [aangever 1] en/of [aangever 2] sliepen en/of hier geen kennis van hadden) en/of
- de ramen en/of deuren van de voornoemde woning/het voornoemde chalet te sluiten en/of
- te roepen dat die [aangever 1] mee moest gaan met verdachte en/of dat hij, verdachte, anders die [aangever 1] en/of [aangever 2] zou doden, althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- de telefoon van die [aangever 1] af te pakken en/of onbruikbaar te maken en/of te vernielen en/of de simkaart te verwijderen en/of
- die [aangever 1] te dwingen en/of tegen haar wil mee te nemen uit de voornoemde woning (en daarmee de woning te verlaten) en/of
- die [aangever 1] mee te nemen naar een bosrijk gebied en/of (middels het openbaar vervoer) te verplaatsen naar Arnhem (teneinde naar Duitsland te vertrekken) en/of
- ( daarbij) tegen die [aangever 1] te zeggen dat zij (voortdurend) dichtbij hem, verdachte, moest blijven en/of (daarbij) (nogmaals) een of meerdere malen te slaan op/tegen het lichaam van die [aangever 1] ;
4.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, een geldbedrag (van in totaal €300,-) en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak of inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een of meerdere malen te slaan en/of snijden op/tegen het hoofd en/of (overige) delen van het lichaam van die [aangever 2] met een laminaatsnijder, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp en/of
- een of meerdere malen te slaan op/tegen het lichaam van die [aangever 2] met een bierfles en/of
- een of meerdere malen te slaan op/tegen het lichaam van die [aangever 2] en/of
- te roepen/schreeuwen: “ik vermoord jullie”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- die [aangever 2] bij zijn haren te pakken en/of aan zijn haren te trekken en/of
- die [aangever 2] te dwingen op de bank te gaan zitten.
2 Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Het proces-verbaal van de zitting van 23 september 2026 zal aan dit tussenvonnis worden gehecht.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van getuige [aangever 1] indien de rechtbank de verklaring van [aangever 1] wenst te gebruiken voor het bewijs.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat - ondanks dat de verdediging het recht om de getuige te kunnen ondervragen niet heeft kunnen effectueren - de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces Volgens de officier van justitie mag de verklaring van [aangever 1] daarom voor het bewijs worden gebruikt.
3 De motivering van de beslissing
De rechtbank dient te beslissen of naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en de ingenomen standpunten (zoals onder 2. verwoord) het onderzoek volledig is geweest en zij zich daarmee voldoende voorgelicht acht. De rechtbank neemt hiertoe het volgende in aanmerking.
Ter terechtzitting van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van getuige [aangever 1] (samen met twee andere getuigen) toegewezen en daarbij opgemerkt:
“Dit zijn zogenoemde Keskin-getuigen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om de
politie opdracht te geven om binnen twee weken nadere gegevens aan te leveren betreffende de getuigen bij het Kabinet van de rechter-commissaris. De rechtbank bepaalt verder dat de rechter-commissaris vier maanden de gelegenheid heeft om de verhoren te regelen.”
Ook heeft de rechtbank in het proces-verbaal ter terechtzitting van 28 januari 2026 gegevens van de getuige [aangever 1] opgenomen, te weten:
“Mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] in Roemenië, nadere personalia bekend bij politie en justitie (dossierpagina 105: domicilie [adres] )”
De rechtbank heeft voorafgaand aan de pro formazitting van 1 april 2026 een door de politie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2026 (pv nr 202602021317. BEV) ontvangen, waarin staat vermeld:
“Vanuit de rechtbank kwam het verzoek om de adresgegevens van [aangever 1] , [aangever 2] en [persoon] te achterhalen, zodat de rechtbank hen kan benaderen. (…) In het politie-systeem BVI-B staat dat [aangever 1] , [aangever 2] en [persoon] als verblijfadres “Registratie Niet Ingezetenen (Rni) (Nederland) hebben. Hierdoor heb ik, verbalisant [verbalisant] , contact met hen gezocht.
(…) Op maandag 2 februari 2026 heb ik [aangever 1] een bericht via WhatsApp gestuurd met de vraag waar zij op dit moment staat ingeschreven. In datzelfde bericht heb ik aangegeven dat de rechtbank dit wil weten, zodat de rechtbank haar kan benaderen. [aangever 1] gaf haar adres door. (…)”
In het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 juni 2026 staat het volgende vermeld:
“De officier van justitie voert het woord:
(…) [aangever 1] en [aangever 2] moeten nog worden gehoord. Daarvoor zijn twee dagen gereserveerd: 20 juli en 2 september 2026. (…)
De voorzitter voert het woord:
Ik heb van het kabinet van de rechter-commissaris begrepen dat op 9 juni 2026 ook de verhoren van de getuigen [aangever 1] en [aangever 2] stonden gepland. [aangever 1] is niet verschenen. (…)”
In het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 juli 2026 staat het volgende vermeld:
“De officier van justitie
Op a.s. maandag 20 juli staan de verhoren gepland bij het kabinet r-c (met 2 september a.s. als uitloopdag). (…)”
In een e-mail van 3 september 2026 aan de rechter-commissaris, cc aan de rechtbank, is namens de raadsvrouw het volgende aan de orde gesteld:
“Voor de goede orde bericht ik u dat de verdediging geen afstand doet van getuige [aangever 1] .”
In het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris ex artikel 237 Wetboek van Strafvordering van 14 september 2026, het zogenaamde sluitingsproces-verbaal, staat het volgende vermeld:
“Getuige [aangever 1] heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Op verzoek van de
rechter-commissaris heeft de politie, met tussenkomst van de officier van justitie, de nodige
inspanningen verricht om contact te kunnen leggen met getuige [aangever 1] . Die inspanningen
hebben ertoe geleid dat een verbalisant haar via Whatsapp een (vertaalde) oproep kon
versturen. De getuige heeft deze in goede orde ontvangen, maar is niet verschenen. Nu zij
geen adres in Nederland heeft, kan zij niet worden opgeroepen.”
Zoals reeds hierboven staat vermeld, heeft de raadsvrouw ter terechtzitting van 23 september 2026 het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van getuige [aangever 1] .
De officier van justitie heeft als volgt gereageerd op het voorwaardelijke verzoek:
“De verdediging heeft het ondervragingsrecht ten aanzien van [aangever 1] niet kunnen uitoefenen. Dan is de vraag of de verklaringen in het licht van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en in het licht van het EVRM mogen worden gebruikt voor het bewijs. Drie punten zijn daarbij relevant: (1) Zijn er voldoende inspanningen verricht om getuige te horen? (2) Wordt de verklaring in beslissende mate voor het bewijs gebruikt (‘sole or decisive’)? (3) Is er voldoende compensatie voor de omstandigheid dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren?
Ten aanzien van punt 1. Er zijn absoluut de nodige inspanningen verricht om [aangever 1] te horen. Toen het de rechter-commissaris niet lukte om in contact te treden met [aangever 1] , heeft het onderzoeksteam op verzoek van de rechter-commissaris de nodige inspanningen verricht. Zij hebben diverse zoekslagen verricht, er zijn brieven verstuurd naar eerdere adressen van [aangever 1] en er is telefonisch geprobeerd om in contact te treden door te bellen. Uiteindelijk is het via-via gelukt telefonisch contact met haar te krijgen. [aangever 1] verbleef in Nederland, maar zij had geen adres om post te ontvangen. Zij gaf ook aan ontzettend angstig te zijn voor verdachte. Dat is de reden dat er via WhatsApp een oproep is gestuurd voor het verhoor bij de rechter-commissaris. [aangever 1] is echter niet verschenen bij het kabinet van de rechter-commissaris. Er zijn nog steeds geen adresgegevens bekend van [aangever 1] , maar er zijn wel voldoende inspanningen verricht.
Ten aanzien van punt 2. Het bewijs is in beslissende mate gebaseerd op de verklaring van [aangever 1] , maar haar verklaring is niet ‘sole or decisive’. De verklaring van [aangever 1] vindt namelijk in belangrijke mate steun in overige bewijsmiddelen, zoals de verklaring van [aangever 2] en de berichten in de uitgelezen telefoons, maar ook de camerabeelden, het onderzoek aan de laminaatsnijder en het proces-verbaal van bevindingen aantreffen [aangever 1] . Ten aanzien van punt 3. Gelet op het voorgaande zijn compenserende factoren in dit geval niet noodzakelijk.
Er is dus voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. Het verzoek om [aangever 1] te horen moet worden afgewezen en haar verklaring mag als bewijs worden gebruikt.”
Hierop heeft de raadsvrouw als volgt gereageerd:
“Mijns inziens zijn er onvoldoende inspanningen verricht en is de kennisgeving van de oproep voor het verhoor via een WhatsApp-bericht onvoldoende. Ik heb nergens gelezen dat er brieven zijn gestuurd naar verschillende adressen, dat er verschillende telefoonnummers zijn gecontact, dat er een rechtshulpverzoek is verzonden of dat er een Liaison-officer is ingeschakeld. Dat er uiteindelijk een bericht wordt gestuurd via WhatsApp is onvoldoende. Telefoonnummers worden na een tijdje aan andere personen toebedeeld. Er zit meer in het dossier zegt de officier van justitie. Het is volgens haar niet ‘sole or decisive’, en vindt steun in onder andere de verklaring van [aangever 2] . Ik heb uitgebreid bepleit dat [aangever 2] en [aangever 1] contact met elkaar hebben gehad. Het is niet onderzocht of ze elkaar hebben gebeld. Er zijn foto’s gemaakt met telefoons. Is [aangever 2] in het ziekenhuis geweest?
De bewijsmiddelen waarin de officier van justitie steun ziet, zeggen niks over de vraag of verdachte in de woning met flessen bier heeft gegooid en met een laminaatsnijder heeft gesneden. [aangever 1] loopt mank met haar linkerbeen, maar zij heeft daar geen verwondingen aan. Het forensisch onderzoek ondersteunt haar verklaring dus niet en ook niet dat verdachte de verwondingen heeft veroorzaakt. De camerabeelden laten alleen zien dat hij op de camping was. Hij heef daar jarenlang gewoond. Verdachte heeft verklaard dat hij tegen [aangever 1] heeft gezegd dat hij zijn eigen spullen uit de woning nodig had. Ten aanzien van de bevindingen van de verbalisanten merk ik op dat het makkelijk is om opluchting te faken.
Dat is dus geen ondersteuning voor haar verklaring. Er zijn wat mij betreft geen compenserende factoren.”
De rechtbank is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en de ingenomen standpunten (zoals onder 2. verwoord) tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat de rechtbank zich ten aanzien van de inspanningen van de politie en van de rechter-commissaris om de getuige te horen, onvoldoende voorgelicht acht.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris opdragen om een (aanvullend) proces-verbaal op te laten maken.
De rechtbank wenst door de politie in elk geval te worden geïnformeerd over de concrete stappen die zijn verricht door het onderzoeksteam (mede ten aanzien van het in het proces-verbaal ter terechtzitting van 28 januari 2026 genoemde Roemeense adres) en de daaruit naar voren gekomen resultaten, met de bijbehorende documenten.
De rechtbank wenst verder door de rechter-commissaris te worden geïnformeerd over welke inspanningen onder leiding van (het kabinet van) de rechter-commissaris zijn verricht om de getuige te doen horen met de daarbij horende documenten. Ook wenst zij te worden geïnformeerd over welke afspraken er zijn gemaakt over het horen van deze getuige.
De rechtbank geeft de officier van justitie en de rechter-commissaris een termijn van twee weken om het (aanvullend) proces-verbaal aan te leveren.
De rechtbank zal – om redenen van proces-efficiëntie en proces-economie – de zaak aanhouden tot de terechtzitting van 4 november 2026 om 11.30 uur voor de duur van 45 minuten, teneinde de officier van justitie en de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen om standpunten in te nemen naar aanleiding van het dan ingekomen (aanvullend) proces-verbaal van de rechter-commissaris. Dat is een termijn van meer dan een maand maar niet meer dan drie maanden om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank eerdere appointering niet toelaat.
4 De voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 23 september 2026 verzocht om de voorlopige hechtenis met onmiddellijk ingang op te heffen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van eerdere zittingen geoordeeld dat op basis van de gewijzigde tenlastelegging er nog steeds ernstige bezwaren aanwezig zijn ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4, en dat ook de gronden (de 12-jaarsgrond en de recidivegrond) nog steeds aan de orde zijn. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden ook nu nog steeds aanwezig zijn. Ook is de rechtbank van oordeel dat artikel 67a lid 3 van het wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde is. Het verzoek om de voorlopige hechtenis met onmiddellijk ingang op te heffen wordt daarom afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
schorst het onderzoek tot de terechtzitting van 4 november 2026, 11.30 uur (pro forma voor 45 minuten);
draagt de rechter-commissaris op het onder 3. genoemde (aanvullende) proces-verbaal op te laten maken en binnen twee weken na datum tussenvonnis (uiterlijk 21 oktober 2026) aan de rechtbank te verstrekken;
gelast de officier van justitie om het onder 3. genoemde (aanvullend) proces-verbaal op te laten maken door de politie en binnen twee weken na datum tussenvonnis (uiterlijk 21 oktober 2026) aan de rechtbank te verstrekken;
gelast de oproeping van verdachte, met afschrift aan zijn raadsvrouw, tegen de genoemde terechtzitting;
gelast tevens de kennisgeving aan de benadeelde partij voor genoemde terechtzitting;
gelast de oproeping van een tolk Roemeens voor genoemde terechtzitting;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2026.