Rb. Gelderland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7731
Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de schuld van eiseres bij Intrum Justitia over te nemen. Eiseres is het niet eens met deze weigering. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht weigeren om de schuld over te nemen. De minister concludeert terecht dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname en ook het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1235
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W. Salle)
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. H. Polat).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de schuld van eiseres bij Intrum Justitia over te nemen. Eiseres is het niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de minister om de schuld over te nemen.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht weigeren om de schuld over te nemen. De minister concludeert terecht dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname en ook het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Eiseres is gedupeerde van het toeslagenschandaal. Zij heeft de Sociale Banken Nederland, een uitvoeringsorganisatie van de minister, gevraagd om de overname van een geldschuld van € 15.825,49 bij Intrum Justitia. De minister heeft bij besluit van 25 oktober 2024 overname van deze schuld geweigerd omdat de schuld niet voldoet aan de eisen voor overname. Alleen het deel van de betalingsachterstand wordt afbetaald mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij die weigering gebleven.
2.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het beoordelingskader?
3 Onder voorwaarden kunnen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Een schuld moet aan de volgende vereisten voldoen:
de schuld is ontstaan na 31 december 2005; en
de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
de schuld niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Voldoet de schuld aan de voorwaarden voor overname?
4 Eiseres betoogt dat de minister de schuld van € 15.825,49 bij Intrum Justitia ten onrechte niet heeft overgenomen. Deze schuld is namelijk op 12 januari 2006 opgeëist door Intrum Justitia. Omdat de schuld na 31 december 2005 is ontstaan en de schuld op het moment van de aanvraag nog openstond, is aan alle eisen voor het overnemen van schulden voldaan.
4.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres was eigenaresse van een beautysalon. Daarvoor heeft zij op 23 maart 2004 een ondernemerskrediet van € 15.000 afgesloten. Zij is op 16 maart 2005 gestopt met haar bedrijf. Volgens de minister volgt uit de algemene voorwaarden dat de vordering dan direct opeisbaar wordt. Hoewel de minister niet beschikt over de algemene voorwaarden die op 23 maart 2004 golden, mag hij op basis van latere algemene voorwaarden er vanuit gaan dat in het geval van bedrijfsbeëindiging het ondernemerskrediet opeisbaar wordt. In dit geval heeft eiseres haar onderneming beëindigd op 16 maart 2005. Dit betekent dat de schuld op 16 maart 2005 opeisbaar is geworden. De schuld is voor 31 december 2005 ontstaan en is daarmee geen gevolg van de toeslagenproblematiek. Dat Intrum Justitia de schuld daadwerkelijk pas op 12 januari 2006 heeft opgeëist, doet daar niet aan af. De minister heeft terecht de overname van deze schuld geweigerd.
Had de minister de hardheidsclausule toe moeten passen?
5. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
5.1 Eiseres betoogt dat de gevolgen van het niet overnemen van de schuld voor haar erg oneerlijk uitpakken. Zo heeft zij geen contact meer met haar jongste twee kinderen, zijn haar kinderen uithuisgeplaatst en zit zij in een hersteltraject voor een complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS). Op de zitting heeft eiseres uitgelegd dat zij kampt met gezondheidsproblemen en een beperkt inkomen door uitkering. Hierdoor is zij niet in staat om eigen inkomen te genereren waardoor er sprake is van structurele nood.
5.2 De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft voornamelijk gesteld dat zij gezondheidsproblemen heeft en in financiële problemen zit. Met betrekking tot haar medische situatie heeft zij overgelegd een verslag van ziekenhuis Rijnstate waarin staat dat er een septaal infarct is doorgemaakt, een afspraak voor een punctie in de borst bij ziekenhuis Rijnstate en een vegatest test-rapport. Met betrekking tot haar financiële situatie heeft eiseres geen documenten overgelegd. Het is aan eiseres is om met feiten te onderbouwen en zo veel mogelijk met stukken te staven dat haar situatie zodanig schrijnend is dat die ertoe nopen dat de schuld toch wordt overgenomen. Met de overgelegde stukken heeft eiseres het beroep op de hardheidsclausule onvoldoende onderbouwd.
5.2.1 Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de schuld van eiseres een grote last voor haar is, heeft eiseres onvoldoende inzicht gegeven in haar actuele feitelijke financiële situatie en haar financiële draagkracht. Eiseres stelt een uitkering te ontvangen. Maar dat is onvoldoende. Zij moet inzichtelijk maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kant van haar situatie uit blijkt en dit zo concreet mogelijk onderbouwen. Zij heeft dat niet gedaan. Er zijn daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hoewel het invoelbaar is dat eiseres het financieel erg zwaar heeft en dat een grote impact heeft op haar (gezins)leven, is er onvoldoende aanleiding om te spreken van een zodanig schrijnende situatie dat er, gelet op hiervoor genoemde omstandigheden, afgeweken moet worden van de wettelijke bepalingen.
Conclusie en gevolgen
6 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister mocht weigeren om de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.