Rb. Gelderland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7678
Ingangsdatum Wajong-uitkering. Geen sprake van een kennelijke hardheid. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2517
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de uitkering van eiser op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het niet eens met de ingangsdatum. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de juistheid van de ingangsdatum.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Met het besluit van 26 februari 2025 heeft het UWV met ingang van 12 januari 2025 een Wajong-uitkering aan eiser toegekend. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3 Eiser is geboren op [geboortedag] 1998. Hij is laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 32 uur per week. Op 3 juni 2019 is eiser uitgevallen wegens gezondheidsklachten. Met het besluit van 21 juni 2021 heeft het UWV eiser met ingang van 31 mei 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
3.1 Op 12 januari 2025 heeft eiser een Wajong-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 26 februari 2025 heeft het UWV met ingang van 12 januari 2025 een Wajong-uitkering aan eiser toegekend. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 24 februari 2025 ten grondslag. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit, omdat hij zich niet kan vinden in de ingangsdatum van de Wajong-uitkering.
3.2 Met het bestreden besluit is het UWV bij het besluit van 26 februari 2025 gebleven. Het UWV heeft verwezen naar artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong. Daarin staat dat het recht niet eerder kan ingaan dan op de dag dat een betrokkene achttien jaar is geworden. Het recht kan ook niet eerder ingaan dan op de dag dat een aanvraag voor een Wajong-uitkering is ingediend.
Kennelijke hardheid
4. Tussen partijen is in geschil of er aanleiding bestaat om aan eiser met terugwerkende kracht een Wajong-uitkering toe te kennen.
4.1 Uit de tekst en wetgeschiedenis van artikel 1a:11 van de Wajong volgt dat het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat het recht op uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. In gevallen waarin het niet of te laat doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijke hardheid geeft het vierde lid aan het UWV de bevoegdheid het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. Er kunnen zich blijkens de wetsgeschiedenis omstandigheden voordoen waarbij het doen van een aanvraag als voorwaarde om het recht op een Wajong-uitkering te kunnen vaststellen, leidt tot een kennelijke hardheid. Daarbij is door de wetgever bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.
4.2 Aangezien het vierde lid van artikel 1a:11 van de Wajong geen afwijking inhoudt van het tweede lid, is voor de ingangsdatum van de Wajong-uitkering het moment van aanvraag bepalend. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet vereist is. De ingangsdatum wordt in dat geval vastgesteld op het moment waarop het UWV kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als het niet aanvragen van de uitkering (al dan niet met behulp van derden) het gevolg is van de ziekte waaraan een betrokkene lijdt. Dit betekent dat het toekennen van een uitkering met terugwerkende kracht vóór datum aanvraag of vóór het moment waarop het Wajong-recht met toepassing van het vierde lid ambtshalve had moeten worden vastgesteld, niet mogelijk is.
4.3 Eiser heeft primair aangevoerd dat de Wajong-uitkering moet worden toegekend per [datum] , de datum van zijn achttiende verjaardag. Het stellen van de voorwaarde van het doen van een aanvraag leidt tot een kennelijke hardheid. Eiser zwierf rond, heeft daarna begeleid gewoond, waar in de praktijk geen begeleiding was en daarna kwam hij weer op straat. De hulpinstanties hebben het laten afweten. Eiser was niet bekend met de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen. Eiser ondervond dagelijks beperkingen van zijn aandoeningen. In die omstandigheden was het niet redelijk de eis te stellen dat eiser een aanvraag moest doen. De verzekeringsarts heeft erkend dat het aannemelijk is dat de beperkingen op het achttiende jaar aanwezig waren. Eiser stelt, subsidiair dat de Wajong-uitkering moet ingaan op 19 maart 2020, de datum dat de verzekeringsarts bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling is gebeld door de GGZ Agoog Fact Noord. Vanaf dat moment kon het UWV in ieder geval vaststellen dat mogelijk sprake was van een Wajong-situatie. Mocht dit standpunt niet worden gevolgd dan moet de Wajong-uitkering ingaan per 30 mei 2021, de datum einde wachttijd voor de Wet WIA. In het kader van de einde wachttijd is een sociaal-medische beoordeling verricht.
4.4 De beroepsgrond dat van eiser niet kon worden verlangd eerder dan 12 januari 2025 een aanvraag in te dienen, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser niet eerder dan op 12 januari 2025 daartoe in staat was. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat eiser dat niet zelf dan wel met behulp van derden had kunnen doen. Eiser heeft op verschillende momenten een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een toeslag op grond van de Toeslagenwet ingediend. Daarnaast heeft eiser een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Dat eiser tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij is geholpen met het doen van die aanvragen, kan niet betekenen dat eiser niet in staat is geweest om, desnoods met hulp van anderen, een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. Verder volgt uit de rapporten van de verzekeringsartsen en andere medische informatie uit het dossier niet dat het niet eerder aanvragen van de Wajong-uitkering het gevolg is van de aandoeningen waaraan eiser lijdt. Onbekendheid met de Wajong kan er ook niet toe leiden dat het stellen van de voorwaarde van een aanvraag een kennelijke hardheid oplevert. Omdat het stellen van de voorwaarde van het doen van een aanvraag niet leidt tot een kennelijke hardheid, komt de rechtbank ook niet toe aan de beroepsgronden van eiser over wanneer het UWV kennis had kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake was van een recht op Wajong-uitkering. Evenredigheidsbeginsel
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat het niet eerder toekennen van een Wajong-uitkering onevenredig is.
5.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid de toetsing van een dwingendrechtelijke bepaling in de wet in formele zin, zoals artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat, als sprake is van bijzondere omstandigheden waarvan moet worden aangenomen dat deze niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval als niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doet zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen. In zo’n situatie behoeft de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet door de wetgever zijn verdisconteerd, geen afzonderlijke beantwoording.
Zorgvuldigheidsbeginsel
6. Volgens eiser is het onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is geweest. Het UWV heeft niks gedaan met de overgelegde informatie over de klachten tegen Youngster.
6.1 Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Eiser heeft inderdaad klachten over de behandeling en bejegening bij Youngster bij het UWV overgelegd. Voor zover eiser hiermee wil betogen dat het gebrek aan begeleiding meebrengt dat hij niet eerder een aanvraag heeft kunnen doen, verwijst de rechtbank naar wat onder 4.4 is overwogen. Het bestreden besluit is dus zorgvuldig voorbereid. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het UWV na de ontvangst van het bezwaarschrift telefonisch contact heeft opgenomen met eiser en hij heeft vermeld geen gebruik te willen maken van het recht op een hoorzitting. Niet blijkt dat er nadere informatie had moeten worden opgevraagd. Het UWV heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om de Wajong-uitkering eerder in te laten gaan gelet op de geldende wetgeving.
Conclusie en gevolgen
7 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.G. Cornelisse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 1a:11 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat. 2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag waarop de aanvraag, bedoeld in dit artikel, werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt. 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt. 4. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen