Rb. Gelderland 30 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7366
Deze uitspraak gaat over het niet inwilligen van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank is in haar tussenuitspraak van 21 mei 2026 tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de staatssecretaris erin is geslaagd om dat gebrek te herstellen. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank beslist ook op het verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9025
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Financiën
(gemachtigde: mr. T.G.H. Spruyt).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het niet inwilligen van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de staatssecretaris.
1.1 De rechtbank is in haar tussenuitspraak van 21 mei 2026 tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen.
1.2 De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de staatssecretaris erin is geslaagd om dat gebrek te herstellen. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank beslist ook op het verzoek om schadevergoeding.
Procesverloop
2 De rechtbank verwijst naar het procesverloop in de tussenuitspraak.
2.1 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 18 november 2024 te herstellen.
2.2 De staatssecretaris heeft in reactie op de tussenuitspraak op 21 juli 2026 een aanvullende beslissing op bezwaar genomen. Eiser heeft hier op 12 september 2026 op gereageerd met een zienswijze.
2.3 De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geschil
3 Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen namelijk niet terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Van zo’n zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake.
Heeft de staatssecretaris de geconstateerde motiveringsgebreken hersteld?
4 Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van (notities en memo’s over) ongepubliceerde uitspraken over goed koopmansgebruik en vennootschapsbelasting die buiten fiscale dossiers om gedeeld zijn binnen de Belastingdienst. De staatssecretaris heeft het Woo-verzoek niet ingewilligd omdat er geen door eiser gevraagde documenten bij het ministerie van Financiën en de Belastingdienst zijn aangetroffen.
4.1 Op drie punten heeft de rechtbank vastgesteld dat dat er gebreken zijn in het bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen moest de staatssecretaris het volgende doen:
de staatssecretaris moest inzichtelijk maken op welke netwerkschijven en delen van digidoc is gezocht (bij zowel het ministerie van Financiën als de Belastingdienst);
als er niet met de nieuwe zoektermen is gezocht op de netwerkschijven en digidoc bij de Belastingdienst moet dit alsnog gebeuren;
de staatssecretaris moest opnieuw zoeken op de locatie ConnectPeople community.
4.2 De staatssecretaris heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aanvullende beslissing op bezwaar genomen. De staatssecretaris heeft hierin inzichtelijk gemaakt op welke netwerkschijven is gezocht. Dat er, ook met de nieuwe zoektermen is gezocht in het geheel van digidoc en op alle netwerkschrijven van zowel het ministerie van Financiën (beleidsdepartement) als binnen de Belastingdienst. Ook is er gezocht in de locatie ConnectPeople. Hier uit zijn zoekresultaten voortgekomen. Volgens de minister vallen geen van deze zoekresultaten binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek.
4.3 Eiser heeft in zijn zienswijze verklaard dat de staatssecretaris met zijn aanvullende beslissing op bezwaar in zijn optiek voldoende opvolging heeft gegeven aan de tussenuitspraak en de gebreken voldoende heeft hersteld. Aanvullend verzoekt eiser om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.4 De rechtbank is, gelet op de zienswijze van eiser, van oordeel dat de staatssecretaris alle in de tussenuitspraak gesignaleerde gebreken heeft hersteld. Met de aanvullende beslissing op bezwaar is namelijk alsnog inzichtelijk gemaakt op welke locaties is gezocht en is er opnieuw gezocht.
Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
5. Eiser verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke
termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1 De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.
5.2 De redelijke termijn in een zaak als deze begint op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Uitgegaan wordt van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
5.3 Het bezwaarschrift in deze zaak is op 22 maart 2024 door de staatssecretaris ontvangen. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 2 jaar en 7 maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een termijn van meer dan twee jaar gerechtvaardigd te achten. Dat betekent dat de redelijke termijn met 7 maanden is overschreden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de vergoeding te matigen. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000.
5.4 Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. In de tussenuitspraak van 21 mei 2026 zijn door de rechtbank gebreken geconstateerd in het bestreden besluit. Daarop heeft de rechtbank een bestuurlijke lus toegepast om de staatssecretaris de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. In geval van een bestuurlijke lus geldt dat de redelijke termijn niet is overschreden als de rechtbank binnen anderhalf jaar na het instellen van het beroep tussenuitspraak heeft gedaan, en binnen één jaar na de mededeling van het bestuursorgaan over de wijze waarop het gebrek is hersteld einduitspraak heeft gedaan.
5.5 Met de tussenuitspraak van 21 mei 2026 heeft de rechtbank binnen anderhalf jaar uitspraak gedaan op het bij haar op 15 december 2024 ontvangen beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft na de ontvangst van de aanvullende beslissing op bezwaar van 21 juli 2026 binnen de redelijke behandelingsduur van één jaar deze einduitspraak gedaan. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel moet worden toegerekend aan de bestuurlijke fase, en dat de staatssecretaris een vergoeding aan eiser moet betalen van € 1.000.
Conclusie en gevolgen
6 Zoals volgt uit de tussenuitspraak, was het bestreden besluit gebrekkig. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. Omdat met de aanvullende beslissing op bezwaar alsnog inzichtelijk is gemaakt op welke locaties is gezocht en opnieuw is gezocht is het besluit zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd en zijn de gebreken daarmee hersteld. Hierdoor kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel moet de staatssecretaris het griffierecht betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiser;
bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.