Rb. Gelderland 17 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2115
Tussenuitspraak. Intrekking jachtakte en weigering omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit in verband met een veroordeling in Duitsland voor het uitoefenen van dwang. De intrekking en weigering zijn gebaseerd op artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8.74t, tweede lid, onder e, van het Bkl. Deze artikelen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd worden omdat niet bepaald is dat een buitenlandse veroordeling gelijk moet worden gesteld met een veroordeling in Nederland. Dat is anders indien vrees voor misbruik bestaat. In die situatie kan op grond van de Cwm 2019 een buitenlandse veroordeling wel gelijk worden gesteld aan een veroordeling in Nederland. Indien de minister het primaire besluit en het besluit op het administratief beroep in stand had willen laten op de grond “vrees voor misbruik” is dit onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd. Voor zover de minister tijdens de zitting heeft verklaard dat in het geval van eiser een terugkijktermijn zou gelden van vier jaar is dit niet opgenomen in de besluitvorming. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake van een toezegging dat de omgevingsvergunning wel verleend zou worden. De rechtbank heeft de minister in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om de vastgestelde gebreken te herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl