Rb. Gelderland 11 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4758
De vrouw stelt dat de in het convenant gemaakte afspraken over de verdeling vernietigbaar zijn met betrekking tot de waarde van de aandelen. De vrouw stelt primair dat zij heeft gedwaald ten aanzien van de verdeling (artikel 3:196 BW). Dit beroep op dwaling slaagt niet vanwege het tegenbewijs van de man. Uit de door de man overgelegde -e-mails en stukken van de mediator blijkt dat de vrouw de waarde van de aandelen kende of althans wist in welke orde van grootte de waarde van de aandelen lag en dat zij wist waarvan zij afstand deed. Subsidiair doet zij een beroep op misbruik van omstandigheden en meer subsidiair op bedrog (artikel 3:44 BW). Ook deze grondslagen zijn niet van toepassing. De rechtbank oordeelt dat de vrouw tegenover de betwisting van de man geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden heeft gesteld die aannemelijk maken dat bij haar ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 3 of 4 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl