Rb. Gelderland 21 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:885
Vordering van onderverhuurder tegen verhuurder tot indeplaatsststelling huurder (eiser) van een tankstation wordt in twee instanties afgewezen omdat onderverhuurder die vordering te laat na het sluiten van de overeenkomst met de huurder had ingesteld. Huurder sluit vervolgens een huurovereenkomst met de verhuurder/eigenaar tegen ongunstiger voorwaarden ten opzichte van de overeenkomst met de onderverhuurder. Nadien komt er toch een indeplaatsstellingsovereenkomst tot stand. Huurder spreekt onderverhuurder tevergeefs aan tot schadevergoeding, Advocaat huurder stuurt stuitingsbrief. Onderverhuurder betwist de ontvangst van die brief en beroept zich op verjaring. Beroepsfout advocaaat (gedaagde) door bewijs van verzending van zijn stuitingsbrief niet veilig te stellen zodat niet kan worden bewezen dat de verjaing tijdig is gestuit. Heeft huurder schade geleden door de beroepsfout van de advocaat? De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot indeplaatsstelling indien deze tijdig in rechte zou zijn ingesteld ook niet zou zijn toegewezen. Door de indeplaatsstellingsovereenkomst is de eerdere overeenkomst tussen verhuurder en huurder komen te vervallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl