Rb. Gelderland 13 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1329

Beroep tegen de toewijzing aanvraag voor meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg niet-ontvankelijk. Uit artikel 5.1E, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg volgt dat een aanvraag voor meerzorg alleen kan worden ingediend door of namens (met een machtiging) de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de verzekerde. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor meerzorg door eiseres (de zorgverlener) zelf, dus zonder machtiging van de (wettelijk vertegenwoordigers van) de verzekerde, is ingediend. Ook heeft eiseres bezwaar gemaakt en beroep ingesteld zonder dat zij beschikte over een machtiging. Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is eiseres niet aan te merken als belanghebbende. Haar belangen worden niet rechtstreeks geraakt door het bestreden besluit. Voor zover eiseres financiële gevolgen ondervindt door het bestreden besluit, vloeien deze uitsluitend voort uit de contractuele relatie die zij met verzekerde heeft. Eiseres heeft, los van haar financiële belang, geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Daarom had het zorgkantoor de aanvraag van eiseres voor meerzorg niet in behandeling mogen nemen, omdat deze door eiseres op eigen naam was ingediend. Ook had het zorgkantoor het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat eiseres niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het besluit tot toekenning van meerzorg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken