Rb. Gelderland 17 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4698
Terugvordering bijstand op grond van het Bbz 2004. In 2011 is bijstand voor bedrijfskapitaal verstrekt in de vorm van een geldlening aan een zelfstandige die een eenmansbedrijf uitoefende. Ter meerdere zekerheid van terugbetaling is een pandrecht gevestigd op alle (toekomstige) bedrijfsinrichting en inventaris. Bedrijf is in 2016 met de schuld uit hoofde van de geldlening ingebracht in besloten vennootschap (b.v.). Deze b.v. heeft daarna gedurende enkele jaren afgelost op de lening. Nadat de b.v. begin 2020 failliet is gegaan, vordert de gemeente het restant van de lening terug van de zelfstandige. De zelfstandige bestrijdt de terugvordering met het argument dat de vordering uit hoofde van de geldlening op grond van het civiele recht is overgegaan op de b.v. en dat de gemeente haar vordering daarom geldend had moeten maken in het faillissement en (in dat kader) gebruik had moeten maken van haar pandrecht. Gelet op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (2009:BK0190 en 2009: BK1188) is de grondslag voor de terugvordering gelegen in een publiekrechtelijke regeling, het Bbz 2004. De daaraan te ontlenen bevoegdheid gaat voor op een (eventueel) vorderingsrecht op grond van het burgerlijk recht en een daaraan gekoppeld pandrecht. Een zodanig vorderingsrecht doet die bevoegdheid niet tenietgaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl