Rb. Gelderland 6 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3227
Aanmerkelijk belang, terbeschikkingstellingsregeling, buitenlandconstructies, vergrijpboete. Eiser verhuurt een pand aan een Nederlandse vennootschap, en heeft een vordering op een andere Nederlandse vennootschap. Eiser heeft zijn belangen in de twee Nederlandse vennootschappen ingebracht in elkaar in tijd opvolgende constructies met buitenlandse vennootschappen. Eiser stelt slechts minderheidsaandeelhouder in die buitenlandse vennootschappen te zijn. Bijgevolg vallen het pand en de vordering niet onder de terbeschikkingstellingsregeling, aldus eiser. Verweerder stelt dat eiser het belang bij de twee Nederlandse vennootschappen (in economische zin) behouden heeft. Bijgevolg is de terbeschikkingstellingsregeling wel van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn aanmerkelijk belang in de twee Nederlandse vennootschappen in economische zin heeft behouden. Eiser heeft zelf aangegeven beneficial owner van de vennootschappen te zijn, en de opbrengsten uit de vennootschappen zijn hem (uiteindelijk) ook ten goede gekomen. De terbeschikkingstellingsregeling is dus van toepassing. De rechtbank vermindert de navorderingsaanslagen nog wel omdat verweerder ten onrechte het pand, en de vordering, ook tot de rendementsgrondslag van box III heeft gerekend. De boetebeschikkingen vernietigt de rechtbank omdat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser zelf wetenschap had van de fiscale ontoelaatbaarheid van de buitenlandconstructies. Beroepen gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
- Hof Amsterdam 15 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:915
- HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2163
- HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4102
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975
- HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989
- Conclusie A-G Wattel 23 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BD3566
- HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802
- Conclusie A-G Niessen 1 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU7741
- HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF5556
- HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3643
- HR 17 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2697
- HR 15 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC7103
- HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:368