Rb. Gelderland 4 januari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:20

Door eiser gevraagde voorzieningen (ergo- en haptotherapie) vallen niet onder reikwijdte van de Jeugdwet. Derhalve was er geen sprake van een verwijzing door de jeugdarts op grond van de Jw. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van de Jw. Verweerder moest dan ook eerst besluiten of het deze voorziening toch op grond van de Jw aan eiser wilde toekennen. Redelijk dat verweerder daarvoor meer tijd nodig had dan acht weken. Verweerder heeft beslistermijn tijdig en met redelijke termijn verlengd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.C.A. van Niftrik),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg, verweerder
(gemachtigde: mr. D. van Tilborg).

Procesverloop

Op 21 maart 2022 heeft de jeugdarts van de GGD Gelderland-Midden eiser verwezen voor ergo- en haptotherapie. Op diezelfde dag heeft eiser verweerder verzocht om toekenning van een voorziening, bestaande uit ergo- en haptotherapie, op grond van de Jeugdwet (Jw).

Verweerder heeft op 16 mei 2022 de beslistermijn verlengd (verdaagd) met maximaal zes weken.

Met het Formulier dwangsom niet tijdig beslissen heeft eiser verweerder op 17 mei 2022 in gebreke gesteld.

Vervolgens is op 31 mei 2022 beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld.

Op 14 juni 2022 heeft verweerder beslist op de ingebrekestelling en het verzoek om vergoeding van dwangsommen.

Op 24 juni 2022 heeft verweerder (positief) beslist op de aanvraag tot toekenning van ergo- en haptotherapie.

De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 In deze procedure moet de rechtbank alleen beslissen over het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

2.1 Artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
Het tweede lid bepaalt dat die redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven of geen mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan.
Artikel 4:14, derde lid, van de Awb bepaalt dat, bij ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan dat binnen deze termijn aan de aanvrager meedeelt en daarbij een redelijke termijn noemt binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalt dat beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, kan worden ingediend zodra
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen
én
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

2.2 De Jw voorziet niet in een aanvraagprocedure die afwijkt van de hierover in de Awb opgenomen bepalingen. Dat betekent dat verweerder binnen een redelijke termijn een beschikking op de aanvraag moest nemen. Uitgaande van de aanvraagdatum 21 maart 2021 had verweerder uiterlijk 17 mei 2022 een besluit moeten nemen. De rechtbank zal dan ook moeten beoordelen wat in het onderhavige geval een redelijke termijn is (geweest), of verweerder binnen die redelijke termijn heeft beslist en of verweerder de beslistermijn met ten hoogste zes weken heeft mogen verlengen.
3. De rechtbank stelt voorop dat de verwijzing door de jeugdarts naar ergotherapie een verwijzing naar (para)medische zorg betreft die niet onder de reikwijdte van de Jw valt, maar onder die van de Zorgverzekeringswet.
Ook de verwijzing naar de haptotherapie betreft naar het oordeel van de rechtbank verwijzing naar (para)medische zorg waarvoor vanuit een aanvullende zorgverzekering een vergoeding kan worden verkregen. Anders gezegd, het betreft hier geen verwijzing naar jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e van de Jw.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van de Jw op grond waarvan verweerder aan hem een voorziening moet toekennen. Dat had wel op zijn weg gelegen.
4. Omdat er geen sprake was van een verwijzing op grond van de Jw moest verweerder eerst een besluit nemen over de vraag of verweerder, in strijd met het bepaalde in de Jw, deze voorziening toch, op grond van de Jw, aan eiser wilde toekennen en zo ja, wat de aard en omvang daarvan zou zijn. De rechtbank acht het voorstelbaar dat verweerder voor het nemen van deze (contra legem)beslissing meer tijd nodig heeft gehad dan acht weken, de in artikel 4:14, derde lid, van de Awb bedoelde (redelijke) termijn. Verweerder heeft dan ook, zij het op een zeer laat moment maar voor het verstrijken van de beslistermijn de beslistermijn met ten hoogste zes weken kunnen verlengen.
5. Verweerder was dan ook niet te laat met het nemen van de beslissing. Dat betekent dat eiser verweerder niet op 17 mei 2022 in gebreke heeft kunnen stellen. Daaruit vloeit voort dat eiser vervolgens ook geen beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag heeft kunnen instellen.
Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.V. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Aangehaalde artikelen