Rb. Gelderland 24 februari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:972
Verweerder heeft aan eiseres een beschikking gedifferentieerd premiepercentage werkhervattingskas (Whk) 2018 afgegeven waarbij de ZW-uitkeringslasten 2016 van onder meer werknemer X zijn toegerekend. Eiseres is tegen de toekenning van de ZW-uitkering aan X in bezwaar en beroep gekomen. Rechtbank Overijssel heeft dat beroep bij uitspraak van 30 januari 2018 (ECLI:NL:RBOVE:2018:281) ongegrond verklaard en geoordeeld dat een discussie over de vervulling van de re-integratietaken door het UWV niet thuishoort in een procedure over de toekenning van de ZW-uitkering. Verweerder is het hier niet mee eens en wijst op de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO6390), waaruit volgens hem volgt dat die discussie onder het bereik van artikel 115 van de WIA valt, en juist wel thuishoort in een procedure aangaande de toekenning van de uitkering. De ZW kent een vergelijkbare bepaling als artikel 115 van de WIA. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsbescherming van eiseres in het geding is, nu de relevante instanties elkaar tegenspreken. Voor toerekening van de ZW-uitkeringslasten van werknemer X is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats, nu eiseres geloofwaardig heeft verklaard, en verweerder niet heeft betwist, dat in vergelijkbare gevallen als deze is ontkoppeld door het UWV, waardoor de uitkeringslasten niet zijn toegerekend. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl