Rb. Gelderland 25 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5969

Erflaatster was ten tijde van haar overlijden in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, maar leefde reeds geruime tijd feitelijk gescheiden van haar echtgenoot. De echtgenoot hield aandelen in X B.V. De FIOD is een (strafrechtelijk) onderzoek gestart naar een beperkt aantal klanten van de gemachtigde van de echtgenoot. Dat heeft geleid tot inbeslagname van gegevensdragers. Informatie die strafrechtelijk niet van belang is, is door de FIOD doorgespeeld aan de Belastingdienst. Tot die informatie behoort onder andere een e-mail van de echtgenoot van erflaatster, waaruit volgt dat de echtgenoot twee grote (box III) vorderingen heeft. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van in fiscale zin uit te sluiten bewijs. Van het ‘zozeer indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht’, zoals door de Hoge Raad geformuleerd in zijn arrest van 27 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AF5556), is geen sprake. Evenmin is sprake van een schending van het fair play-beginsel als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2005 (ECLI:HR:2005:AU3140). Verweerder heeft terecht aangenomen dat erflaatster ten tijde van haar overlijden op grond van het huwelijksvermogensrecht aanmerkelijk belanghoudster was, en heeft terecht de helft van de waarde van de vorderingen aan erflaatster toegerekend. Van een verzoek tot scheiding van tafel en bed is niets gebleken. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken