Rb. Gelderland 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5771

Uit de Nota van Toelichting en de wetsgeschiedenis volgt niet dat de wetgever zich bij de invoering van het Dagloonbesluit en de daarin opgenomen berekeningsmethodiek, en daaraan voorafgaand de Wet Walvis, ten volle heeft gerealiseerd wat de gevolgen voor de vaststelling van het WIA-dagloon zijn als in de referteperiode wel een recht op een WW-uitkering is ontstaan maar deze WW-uitkering na afloop van de referteperiode wordt genoten. Volstaan is met de niet nader gespecificeerde opmerking dat de gekozen systematiek voor bepaalde betrokkenen nadelig kan uitpakken. Naar het oordeel van de rechtbank klemt dat in het geval van eiseres. Door de gekozen berekeningsmethodiek wordt eiseres hard geraakt. Daarmee wordt geen recht gedaan aan het uitgangspunt van het Dagloonbesluit dat een voor de uitkeringsgerechtigde representatief dagloon wordt vastgesteld. Het effect van de toepassing van deze regels wordt nog versterkt doordat de berekeningswijze ook naar de toekomst nadelige gevolgen zal hebben voor het recht van eiseres op een (vervolg)uitkering en de hoogte daarvan. Dat gevolg is evenmin door de wetgever onderkend. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de toepassing van genoemde regels voor eiseres onevenredig nadelige gevolgen heeft. Door de wetgever is niet onderkend dat gevolgen zoals hier aan de orde zich kunnen voordoen. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om, op de voet van het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb het bepaalde in artikel 13 van het Dagloonbesluit in dit geval buiten toepassing te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken