Rb. Gelderland 3 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:4869
Overdrachtsbelasting. Eiser heeft van zijn vader 50% van de certificaten in een onroerende zaakrechtspersoon (ozr) verkregen. Zijn zus heeft de andere 50% verkregen. De bezittingen van de ozr bestaan uit een onroerende zaak en een indirect belang van 20% in een rechtspersoon die een materiële onderneming drijft. De onroerende zaak wordt in deze onderneming gebruikt. Eiser heeft voor deze verkrijging een beroep gedaan op de zogeheten bedrijfsopvolgingsfaciliteit (artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer). Ter onderbouwing verwijst hij naar de ‘doorkijkarresten’ (onder meer Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110) en de omstandigheid dat voor de toepassing van artikel 4.17c van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 35b e.v. van de Successiewet 1956 de materiële onderneming aan de ozr wordt toegerekend. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Indien eiser de onroerende zaak en het 20%-belang rechtstreeks had verkregen, had hij geen beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit kunnen doen. Toepassing van de ‘doorkijkarresten’ leidt er daarom niet toe dat de verkrijging van het belang in de ozr vrijgesteld is van voerdrachtbelasting. Bovendien wijken de toerekeningsregels voor de inkomstenbelasting en schenkbelasting af van die voor de overdrachtsbelasting. De materiële onderneming kan voor de overdrachtsbelasting niet aan de ozr worden toegerekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl