Rb. Gelderland 7 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6694
Kansspelbelasting. In de aangifte december 2018 vraagt belanghebbende teruggaaf van alle door haar vanaf 1 juli 2008 betaalde kansspelbelasting omdat zij niet de belastingplichtige was. Inspecteur betaalt terug over 2014 tot en met 2018. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf terecht heeft aangemerkt als bezwaarschriften tegen de eerdere voldoeningen. Het beroep ter zake van de voldoeningen 2014-2018 kan alleen gaan over de niet-ontvankelijkverklaring. Over de jaren 2008 tot en met 2013 heeft de inspecteur geen beslissing genomen. Omdat belanghebbende een teruggaaf over december 2018 heeft verzocht, merkt de rechtbank het beroep niet aan als een beroep over de jaren 2008 tot en met 2013. Bezwaar en beroep tegen de belasting omvat in beginsel ook bezwaar en beroep tegen de boetes. Inhoudelijk is de rechtbank niet bevoegd te oordelen over een onderzoeksrapport. De inspecteur heeft geen rente vergoed. De AWR voorziet daar niet in. Ter zake van ambtshalve teruggaven is de belastingrechter niet bevoegd, ook niet voor de rente. Een deel van de bezwaren tegen de boetes en de naheffingen is niet niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van titel 4.4 Awb is rente verschuldigd vanaf het moment dat het bestuursorgaan in verzuim is. Voor dat geval kent de IW 1990 een eigen regeling, die voorgaat. Dit is een zaak van de ontvanger. De beroepen zijn daarom in zoverre ongegrond. Op het teruggaafverzoek december 2018 is niet beslist. Omdat belanghebbende de inspecteur niet in gebreke heeft gesteld, is dat beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl