Rb. Gelderland 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5747
Aanlegvergunning voor een rioolpersleiding op een landgoed. Alternatieve tracés kunnen vanwege het beperkte toetsingskader van een aanlegvergunning niet aan bod komen. Voor een deel van het tracé geldt daarnaast geen aanlegvergunningplicht, zodat voor dit deel niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. Voor de overige delen van het tracé oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op grond van het deskundigenadvies terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een blijvende onevenredige aantasting van de landschappelijke en natuurwaarden. Het beroep van de stichting die opkomt voor de bescherming van het landgoed is daarom ongegrond. Het beroep van het waterschap (de vergunninghouder) tegen het voorschrift dat bepaalt dat slechts vier bomen mogen worden gekapt is wel gegrond. Als er geen sprake is van een blijvende onevenredige aantasting van de landschappelijke en natuurwaarden, dan is er geen grondslag om een dergelijk voorschrift op te nemen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door dit voorschrift uit de aanlegvergunning te halen. De aanlegvergunning blijft dus in stand, zonder dit voorschrift.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 3:9 Awb
- Artikel 6:19 Awb
- Artikel 8:69a Awb
- Artikel 13 Tracew
- Artikel 9 Sww
- Artikel 2.1 Wabo
- Artikel 2.11 Wabo
- Artikel 2.2aa Bor
- Artikel 6.10a Bor
- Artikel 1.3 Wet natuurbescherming
- Artikel 2.7 Wet natuurbescherming
- Artikel 2.8 Wet natuurbescherming
- Artikel 2.9 Wet natuurbescherming
- Artikel 5.5 Wet natuurbescherming
- Artikel 2.14 Besluit natuurbescherming
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468
- Rb. Gelderland 18 december 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5193
- Rb. Gelderland 18 december 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6704
- ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2422
- ABRvS 24 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2485