Rb. Gelderland 1 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1616
Intrekking erkenning op grond van de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg). Dit betrof een erkenning voor het voorhanden hebben van 8 kg rookzwak buskruit, zonder dat daarin specifieke voorschriften waren opgenomen omtrent de wijze van opslag. Verweerder heeft de intrekking gebaseerd op artikel 20, onder b, van de Wecg. Daaraan lag ten grondslag dat aan eiser het onder zich hebben van een grotere hoeveelheid dan 3 kg niet op een veilige wijze kan worden toevertrouwd. Verweerder heeft dit gedaan in het belang van een veilige opslag en in het verlengde hiervan: de beperking van de omvang van de opslag. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de erkenning niet intrekken op de genoemde grondslag. Het belang van een veilige opslag is geen belang dat de Wecg beoogt te beschermen. Verweerder heeft de erkenning dus ingetrokken op grond van een belang dat niet valt onder de belangen die de Wecg beoogt te beschermen. Verweerder heeft de erkenning ook ingetrokken ter herstel van een fout, namelijk dat eerder aan eiser een erkenning voor 8 kg rookzwak buskruit is verleend. Gelet op het vorenstaande, was van een fout echter geen sprake. De Wecg strekt niet tot bescherming van het belang van een veilige opslag. Dit betekent dat deze belangen ook niet bij de beoordeling mogen worden betrokken. Door dit wel te doen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel. Beroep gegrond en vernietiging besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl