Rb. Gelderland 21 januari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:259
Overbruggingsuitkering aan voormalig beroepsvoetballer, wonend in Australië. Voor sportbeoefenaars heeft als uitgangspunt te gelden dat de heffingsbevoegdheid over deze inkomsten wordt beheerst door artikel 17 van het Belastingverdrag Nederland-Australië, tenzij de inkomsten kunnen worden aangemerkt als een onder artikel 18 van dat Verdrag vallend pensioen of lijfrente. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een lijfrente. Het gaat om een periodieke uitkering met een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde. De rechtbank verwerpt het standpunt van de belastingdienst dat bij een toekenning van een periodieke uitkering aan de werknemer door een werkgever nooit sprake kan zijn van een lijfrente. Dit berust op een onjuiste lezing van het zogenoemde stamrechtarrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:913. Het begrip is in het Belastingverdrag gedefinieerd zodat niet kan worden teruggegrepen op de definitie in de nationale wetgeving.
De uitspraak op rechtspraak.nl