Rb. Gelderland 23 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6062

Recht van successie. Navordering. Vader overlijdt in 1995. Zijn nalatenschap is in 1998 verdeeld. Moeder overlijdt in 2006. Ouders hadden buitenlands vermogen, dat zij volgens de erfgenamen (vier kinderen en drie kleinkinderen) tijdens hun leven voor hen verborgen hebben gehouden. In 2014 keren de erfgenamen in. De inspecteur vordert recht van successie na over de helft van het vermogen bij de erfgenamen van vader (inclusief moeder) en over de andere helft bij de erfgenamen van moeder. De inspecteur komt een halfjaar later tot de conclusie dat de vordering over de helft van vader is verjaard. De erfgenamen van moeder stellen dat zij haar aandeel in het vermogen heeft verbeurd vanwege verzwijging. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Artikel 4:1110 BW (oud) houdt een sanctiebepaling in. De erfgenamen hebben geen procedure gevoerd. De verdeling van de nalatenschap van vader is ongewijzigd gebleven. Verbeuring speelt in het kader van vereffening en gaat aan verdeling vooraf en kan pas aan de orde zijn als de verzwijging vaststaat. Na verbeuring dient bovendien nog levering plaats te vinden. Aangezien civielrechtelijk niet vaststaat dat moeder het vermogen heeft verzwegen, kan de rechtbank daar in deze procedure niet van uitgaan. De inspecteur had in eerste instantie de navorderingsaanslag die hij aan moeder heeft opgelegd ter zake van de nalatenschap van vader als schuld in mindering moeten brengen op de omvang van haar nalatenschap. Beslissend is echter hetgeen uiteindelijk omtrent deze schuld is komen vast te staan. Omdat de navorderingsaanslag is vernietigd, kon de inspecteur het verschil alsnog navorderen. Hij heeft zich beroepen op interne compensatie. Dat beroep slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken