Rb. Gelderland 12 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:549
In 2005 verkoopt eiser alle aandelen in B BV aan D BV, de vennootschap waarvan zijn zoon alle aandelen houdt voor € 1.250.000. In 2014 wordt tussen koper en verkoper een addendum overeengekomen waarin de koopsom van de aandelen per datum overdracht nader wordt vastgesteld op € 1.000.000. Eiser stelt dat er met toepassing van artikel 4.29, tweede lid, van de Wet IB 2001 een verlies uit aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld van € 250.000. Eiser slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. Van de aandelenwaardering in 2005 is een berekening gemaakt door een registeraccountant gemaakt. Deze is ook ter beoordeling aan de Belastingdienst voorgelegd. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat alle relevante aspecten van de aandelenwaardering hierin zijn betrokken. In zakelijke verhoudingen acht de rechtbank het dan ongebruikelijk dat de verkoper van de aldus gewaardeerde aandelen na verloop van negen jaren instemt met een verlaging van een verkoopprijs, zonder dat hieraan een nadere berekening ten grondslag ligt en zonder dat hierover tussen koper en verkoper nadere stukken zijn gewisseld. Eiser heeft desgevraagd geen nadere verklaring kunnen geven en heeft erkend dat de verlaging van de koopsom berust op een schatting. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat het addendum niet op zakelijke gronden tot stand is gekomen, zodat hieraan niet de bewijskracht kan worden toegekend die eiser daaraan verbonden wil zien.
De uitspraak op rechtspraak.nl