Rb. Gelderland 21 december 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5578

Omgevingsvergunning voor het ophogen van een weiland op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, Wabo (aanlegvergunning). Het weiland is gelegen in een gebied dat door de provincie is aangewezen als weidevogelgebied. Het college van gedeputeerde staten (GS) heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de aanlegvergunning. Volgens GS wordt door de ophoging het weidevogelgebied aangetast, zodat de aanlegvergunning had moeten worden geweigerd. GS betoogt voorts dat zij had moeten worden gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen te verlenen op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) zich op het standpunt kunnen stellen dat de natuurwaarden op het perceel niet blijvend onevenredig worden geschaad. Uit de quickscan volgt verder dat door het ophogen van gronden en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers nesten (kunnen) worden vernield of beschadigd, en beschermde vogels (kunnen) worden verstoord. Een overtreding van artikel 3.1, tweede en vierde lid, Wnb kan echter worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft in dat geval geen vvgb te worden gevraagd, maar dan moet in de aanlegvergunning wel met een voorschrift zijn geborgd dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Dit heeft het college van B&W nagelaten. Omdat de ophoging reeds heeft plaatsgevonden laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken